ECLI:NL:RBROT:2010:BN8809
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet wegens termijnoverschrijding na verstekvonnis
Opposant en geopposeerde hebben vanaf 2003 samengewoond, waarna opposant de woning in 2006 verliet. Geopposeerde verbleef tussen 2004 en 2007 in detentie in het buitenland. Op 15 april 2009 werd een verstekvonnis gewezen tegen opposant, dat op 21 april 2009 aan haar werd betekend middels een exploot achtergelaten in een gesloten envelop.
Opposant ontving het exploot, maar betwistte dat het verstekvonnis bij het exploot was gevoegd en stelde dat het exploot onvolledig en daardoor ongeldig was. De rechtbank oordeelde dat het voldoende is dat opposant bekend was met de hoofdinhoud van het verstekvonnis, hetgeen werd aangenomen omdat het exploot de hoofdsom, partijen en datum van het vonnis vermeldde en opposant het exploot ontving.
De brief van opposant van 24 april 2009 werd gezien als een daad van bekendheid, waardoor de termijn van vier weken voor het instellen van verzet op die datum begon te lopen. Het verzet werd echter pas op 4 januari 2010 ingesteld, ruim na het verstrijken van de termijn. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en wees opposant toe te rekenen proceskosten toe aan geopposeerde.
Uitkomst: Opposant wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet wegens overschrijding van de wettelijke termijn.