ECLI:NL:RBROT:2010:BN8809

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
348324 / HA ZA 10-486
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens termijnoverschrijding na verstekvonnis

Opposant en geopposeerde hebben vanaf 2003 samengewoond, waarna opposant de woning in 2006 verliet. Geopposeerde verbleef tussen 2004 en 2007 in detentie in het buitenland. Op 15 april 2009 werd een verstekvonnis gewezen tegen opposant, dat op 21 april 2009 aan haar werd betekend middels een exploot achtergelaten in een gesloten envelop.

Opposant ontving het exploot, maar betwistte dat het verstekvonnis bij het exploot was gevoegd en stelde dat het exploot onvolledig en daardoor ongeldig was. De rechtbank oordeelde dat het voldoende is dat opposant bekend was met de hoofdinhoud van het verstekvonnis, hetgeen werd aangenomen omdat het exploot de hoofdsom, partijen en datum van het vonnis vermeldde en opposant het exploot ontving.

De brief van opposant van 24 april 2009 werd gezien als een daad van bekendheid, waardoor de termijn van vier weken voor het instellen van verzet op die datum begon te lopen. Het verzet werd echter pas op 4 januari 2010 ingesteld, ruim na het verstrijken van de termijn. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en wees opposant toe te rekenen proceskosten toe aan geopposeerde.

Uitkomst: Opposant wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 348324 / HA ZA 10-486
Vonnis in verzet van 1 september 2010
in de zaak van
[opposante],
wonende te Rotterdam,
opposante,
advocaat mr.drs. H.J. Ruysendaal.
tegen
[geopposeerde],
wonende te Rotterdam,
geopposeerde,
advocaat mr. S. Ben Ahmed,
Partijen zullen hierna [geopposeerde] en [opposant] genoemd worden.
1. De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- inleidende dagvaarding d.d. 20 november 2008, met producties;
- het door deze rechtbank op 15 april 2009 onder zaak-/rolnummer 352952 / HA ZA 09-648 bij verstek gewezen vonnis;
- verzetdagvaarding d.d. 4 januari 2010;
- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 21 april 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 30 juni 2010;
- de brieven van mr. Ben Ahmed d.d. 11 en 25 juni 2010 met bijlagen;
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
2 De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:
2.1 [opposant] en [geopposeerde] hebben vanaf 23 september 2003 samengewoond in de woning aan de [adres] te Rotterdam. [opposant] heeft in ieder geval vanaf 6 januari 2006 de woning verlaten.
2.2 [geopposeerde] verbleef in de periode van 10 oktober 2004 tot maandag 22 januari 2007 in het buitenland in detentie.
2.3 Op 23 april 2009 heeft de stiefvader van [opposant] telefonisch contact opgenomen met mr. Ben Ahmed, nadat [opposant] hem een betekeningsexploot had getoond met daarop vermeld het dossiernummer L 1901442, welk exploot was opgesteld door door Bazuin & Partners, gerechtsdeurwaarders.
2.4 [opposant] heeft in een brief d.d. 24 april 2004 –voor zover thans van belang- het volgende geschreven:
´ Dosnr: L1901442
24/04/2009
Geachte Heer, Mevrouw,
Ik ben Dhr [geopposeerde] niets schuldig
En ik zit in de schuldsanering. (…)´
Deze brief is blijkens het daarop geplaatste stempel op 28 april 2009 ontvangen door Bazuin & Partners, gerechtsdeurwaarders.
3 De ontvankelijkheid van het verzet
3.1 De rechtbank dient in de eerste plaats te beoordelen of [opposant] in haar verzet kan worden ontvangen. Art. 143 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan stekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.
3.2 Het verstekvonnis tegen [opposant] is gewezen op 15 april 2009. Op 21 april 2009 is het exploot met dossiernummer L 1901442 aan [opposant], niet in persoon, betekend middels achterlating in een gesloten envelop. [opposant] betwist niet dat zij dit exploot heeft ontvangen, doch heeft betwist dat het bij verstek gewezen vonnis bij het exploot was gevoegd. Ter comparitie heeft [opposant] in dat kader de stelling betrokken dat het betekeningsexploot onvolledig was, waardoor het niet aan de maatstaven van de wet voldoet en daarom niet geldig is. De rechtbank oordeelt als volgt.
3.3 Voor de aanvang van de termijn waarbinnen verzet moet worden ingesteld is voldoende dat de gedaagde, in casu [opposant], bekend was met de hoofdinhoud van het verstekvonnis. Het betekeningsexploot vermeldt [geopposeerde] als eiser/requirant en [opposant] als gedaagde/gerequireerde, de hoofdsom tot betaling waarvan [opposant] jegens [geopposeerde] is veroordeeld alsmede de datum waarop het vonnis is gewezen en dat het vonnis is gewezen door de Rechtbank Rotterdam, sector civiel recht. Als onbetwist staat vast dat [opposant] dit betekeningsexploot heeft ontvangen. Daarmee moet zij bekend worden geacht met de hoofdinhoud van het verstekvonnis. De brief die [opposant] na ontvangst van het betekeningsexploot op 24 april 2004 heeft geschreven, heeft vervolgens te gelden als een daad van bekendheid in de zin van artikel 143 lid 2 Rv Pro. Gelet op het voorgaande is niet relevant of het verstekvonnis bij het exploot was gevoegd. De rechtbank verwerpt tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen voorts het verweer dat het betekeningsexploot niet geldig is (hetgeen de rechtbank begrijpt als een beroep op nietigheid) en stelt vast dat ook dit beroep op nietigheid niet kan afdoen aan de inhoud van het exploot als zodanig en daarmee aan het oordeel dat de brief van 24 april 2009 moet worden aangemerkt als een daad van bekendheid in de zin van artikel 143 lid 2 Rv Pro.
3.4 De conclusie uit het voorgaande is dat de termijn van vier weken waarbinnen [opposant] verzet kon instellen tegen het verstekvonnis, is gaan lopen op 24 april 2009. De verzetdagvaarding is echter pas uitgebracht op 4 januari 2010. Het verzet is derhalve niet tijdig gedaan, zodat [opposant] in haar verzet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de overige stellingen en verweren van [opposant].
3.5 [opposant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verzetprocedure worden verwezen.
4 De beslissing
De rechtbank,
in oppositie,
verklaart [opposant] niet-ontvankelijk in haar verzet;
veroordeelt [opposant] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geopposeerde] bepaald op € 768,- aan salaris voor de advocaat, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 56.99.90.688, ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam [545]), onder vermelding van zaak- en rolnummer).
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2010.?
1963/2009