ECLI:NL:RBROT:2010:BN9326

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
165306 / HA ZA 01-2791
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:120 lid 1 BWArt. 3:388 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkte aansprakelijkheid vervoerder en vergoeding van kosten volgens Nederlands recht

In deze zaak tussen ABN AMRO Verzekeringen B.V. en Hanjin Shipping Company Limited stond centraal of naast het volgens de Hague Rules verschuldigde beperkingsbedrag aanspraak bestaat op vergoeding van expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente onder Nederlands recht.

De rechtbank volgde de partiële rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht en oordeelde dat expertisekosten en buitengerechtelijke kosten als vermogensschade onder artikel 6:96 lid 2 BW Pro vallen. Echter, op grond van artikel 8:378 BW Pro in samenhang met artikel 8:387 BW Pro en artikel 3:388 BW Pro is de vervoerder slechts aansprakelijk tot het beperkingsbedrag. Kosten van gerechtelijk onderzoek zijn de enige bijkomende kosten die vergoed kunnen worden, niet de gevorderde expertisekosten en buitengerechtelijke kosten.

Verder werd vastgesteld dat Hanjin vanaf de dag van aflevering, 22 december 1999, in verzuim was en daarom de wettelijke rente ex artikel 6:120 lid 1 BW Pro verschuldigd is. De rechtbank veroordeelde Hanjin tot betaling van het beperkingsbedrag van GBP 55.900,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum en in de proceskosten.

De vordering tot vergoeding van expertisekosten en buitengerechtelijke kosten werd afgewezen, waarmee de rechtbank de aansprakelijkheid van de vervoerder strikt beperkte tot het bedrag volgens de Hague Rules.

Uitkomst: Hanjin is aansprakelijk tot het beperkingsbedrag van GBP 55.900,- met wettelijke rente vanaf 22 december 1999, maar niet voor expertisekosten en buitengerechtelijke kosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 165306 / HA ZA 01-2791
Uitspraak: 6 januari 2010
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABN AMRO VERZEKERINGEN B.V.,
gevestigd te Zwolle,
eiseres,
advocaat mr. R.P. van Campen,
- tegen -
de rechtspersoon naar vreemd recht
HANJIN SHIPPING COMPANY LIMITED,
gevestigd te Seoul, Zuid-Korea,
gedaagde,
advocaat mr. B.S. Janssen.
Partijen worden hierna aangeduid als "ABN AMRO" respectievelijk "Hanjin".
1 Het verdere verloop van het geding
De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 5 augustus 2009.
Ingevolge dat tussenvonnis heeft ieder van partijen een akte genomen.
Vervolgens hebben partijen wederom vonnis gevraagd.
2 De verdere beoordeling
2.1
In het tussenvonnis van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank (in rov. 2.21) overwogen dat de vraag of en in hoeverre naast het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid aanspraak bestaat op vergoeding van expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente beoordeeld dient te worden naar het overigens toepasselijke recht.
De rechtbank heeft de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over het toepasselijke recht.
2.2
In de vervolgens genomen aktes heeft ieder van partijen verklaard dat zij dat aspect beoordeeld wenst te zien aan de hand van (naar de rechtbank begrijpt:) intern Nederlands recht, bij wijze van partiële rechtskeuze.
De rechtbank zal partijen in hun partiële keuze voor het interne Nederlandse recht volgen.
2.3
De vraag is derhalve of en in hoeverre naar intern Nederlands recht naast het ingevolge de Hague Rules verschuldigde bedrag van de beperkte aansprakelijkheid aanspraak bestaat op vergoeding van expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Die vraag onderzoekt de rechtbank in het hierna volgende.
2.4
De gevorderde expertisekosten en buitengerechtelijke kosten vallen aan te merken als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW Pro, nu gesteld noch gebleken is dat het gaat om kosten van expertise als bedoeld in artikel 8:494 - 496 BW.
Ingevolge artikel 8:378 BW Pro in samenhang met artikel 8:387 BW Pro is de vervoerder niet verder aansprakelijk dan tot betaling van de in artikel 3:388 BW Pro genoemde bedragen. In het onderhavige geval komt de zeevervoerder beroep toe op beperking van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 3:388 lid 1 BW Pro. De strekking van deze bepalingen is om de vervoerder niet verder aansprakelijk te doen zijn dan tot betaling van het beperkingsbedrag bepaald op de voet van artikel 8:388 lid 1 BW Pro, zoals blijkt uit de tekst “is noch de vervoerder noch het schip in enig geval aansprakelijk voor enig verlies van of enige schade aan de zaken of met betrekking tot deze”. Naast het beperkingsbedrag komen slechts de kosten van gerechtelijk onderzoek bedoeld in de artikelen 8:494 – 496 BW voor vergoeding in aanmerking, zoals blijkt uit het slot van artikel 8:496 lid 2 BW Pro. Met die strekking spoort het niet om naast het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid de gevorderde expertisekosten en buitengerechtelijke kosten toe te kennen.
Die kosten komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
2.5
Ingevolge artikel 8:388 lid 2 BW Pro was de vervoerder Hanjin dat beperkingsbedrag verschuldigd vanaf de dag van aflevering, 22 december 1999. De vordering van ABN AMRO strekt tot schadevergoeding in de zin van artikel 6:83 aanhef Pro en onder b BW. Daarom was Hanjin ingevolge de artikelen 6:83 en 6:119 BW met ingang van 22 december 1999 in verzuim en derhalve sedertdien de in artikel 6:120 lid 1 BW Pro bedoelde wettelijke rente verschuldigd geworden.
Zodanige rente zal daarom worden toegewezen.
2.6
De slotsom is dat Hanjin aansprakelijk is tot betaling van het beperkingsbedrag van GBP 55.900,- te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW Pro te berekenen vanaf 22 december 1999.
2.7
Als de in het ongelijk gestelde partij zal Hanjin in de proceskosten worden veroordeeld.
3 De beslissing
De rechtbank,
veroordeelt gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van GBP 55.900,- (vijfenvijftigduizendnegenhonderd Britse ponden),- te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW Pro te berekenen vanaf 22 december 1999;
veroordeelt gedaagde in de aan de zijde van eiseres gevallen proceskosten, tot deze uitspraak bepaald op € 3.281,65 aan verschotten (waarvan € 3.235,45 aan vast recht) en € 6.258,- aan salaris van de advocaat;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.
Uitgesproken in het openbaar.
1928