AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit kinderopvangtoeslag wegens onjuiste toepassing verklaring omtrent gedrag
Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om het voorschot kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008 en 2009 op nihil te stellen. De Belastingdienst stelde dit omdat eiseres geen verklaring omtrent het gedrag (VOG) van haar gastouder had overgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het niet aan de Belastingdienst of de ouder is om te controleren of de gastouder beschikt over een VOG. Dit toezicht ligt bij het gastouderbureau en het college van burgemeester en wethouders. Daarom mocht de Belastingdienst aan het ontbreken van een VOG geen consequenties verbinden.
Het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2009 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het geschil bleef daarmee beperkt tot het jaar 2008. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het betrekking had op 2008 en bepaalde dat de Belastingdienst een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Verder oordeelde de rechtbank dat recht op kinderopvangtoeslag alleen bestaat vanaf de datum waarop een schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau is gesloten. De Belastingdienst mag deze overeenkomsten controleren en daaraan gevolgen verbinden. De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor 2008 en het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2009 wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Meervoudige kamer
Reg.nr.: AWB 10/1943 KINDER-T2
Uitspraak in het geding tussen
Eiseres, wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom,
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 28 mei 2009 heeft verweerder het aan eiseres toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 herzien en vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder het aan eiseres toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2008 herzien en vastgesteld op nihil.
Bij brief van 30 juni 2009 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juni 2009.
Bij brief van 7 augustus 2009 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van
28 mei 2009.
Bij besluit van 19 april 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder die bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2010. Eiseres was aanwezig met haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. F.L.M. Schütz.
2 Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
In afwijking van artikel 6:8 vanPro de Awb vangt ingevolge artikel 35 vanPro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.
2.2 Hieruit volgt dat de termijn voor het instellen van bezwaar tegen het besluit van
28 mei 2009 is begonnen op 29 mei 2009 en is geëindigd op 9 juli 2009.
2.3 De rechtbank stelt vast dat het bezwaar op 7 augustus 2009 door verweerder is ontvangen, ver na het verstrijken van de wettelijke termijn. Het bezwaar is buiten de wettelijk gestelde termijn gemaakt. Omstandigheden als bedoeld in artikel 6:11 vanPro de Awb, op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht, zijn gesteld noch gebleken. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 mei 2009 bij het bestreden besluit ten onrechte niet niet ontvankelijk verklaard.
2.4 Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres in zoverre gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2009. Zij zal zelf in de zaak voorzien door te doen wat verweerder zou dienen te doen, te weten de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 28 mei 2009 niet ontvankelijk verklaren. Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 alsnog ambtshalve inhoudelijk zal worden herzien, indien de beoordeling door de rechtbank van het berekeningsjaar 2008 daartoe aanleiding biedt.
2.5 Het geschil beperkt zich dan ook tot het berekeningsjaar 2008.
2.6 Aan de vaststelling van het voorschot voor dit berekeningsjaar op nihil heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot haar gastouder heeft overgelegd.
2.7 De van belang zijnde wettelijke bepalingen luidden destijds als volgt.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) heeft een ouder aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten indien het gastouderopvang betreft die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.
Ingevolge artikel 56, derde lid van de Wko is artikel 50, tweede en derde lid van die wet, van overeenkomstige toepassing op personen werkzaam bij een gastouderbureau en op gastouders.
Artikel 50, tweede lid, van de Wko bepaalt dat personen werkzaam bij een kindercentrum in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Artikel 50, derde lid, van de Wko bepaalt dat die verklaring aan de houder wordt overgelegd voordat de betrokken persoon zijn werkzaamheden aanvangt.
In artikel 52, van de Wko is neergelegd dat kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de exploitant van het gastouderbureau en de ouder.
2.8 Volgens verweerder vloeit uit voornoemde wettelijke bepalingen voort dat een gastouder, die geen verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd, niet werkzaam kan zijn via een gastouderbureau en er is dan geen sprake van opvang in de zin van de wet. Gelet hierop is niet aan alle wettelijke voorwaarden voldaan en is eiseres daar verantwoordelijk voor, zodat over het berekeningsjaar 2008 geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.
2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit standpunt niet kan worden gevolgd. Het is niet aan verweerder – en evenmin aan eiseres – om te controleren of de gastouder beschikt over een verklaring omtrent het gedrag. Verweerder kan aan het ontbreken van een dergelijke verklaring dan ook geen consequenties verbinden.
Daartoe wordt overwogen dat er ingevolge de Wko voor een ouder recht bestaat op kinderopvangtoeslag bij gastouderopvang via een geregistreerd gastouderbureau en het is aan dat bureau, zo blijkt ook uit de memorie van toelichting bij de Wko (Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr. 3, blz. 84) om er op toe te zien dat de gastouder beschikt over een verklaring omtrent het gedrag voordat met de werkzaamheden wordt aangevangen.
Het toezicht op het gastouderbureau ligt, gelet op artikel 61 vanPro de Wko, bij het betrokken college van burgemeester en wethouders en niet bij verweerder aan wie de wetgever slechts een uitvoerende taak met betrekking tot de administratieve en financiële aspecten van de kinderopvang heeft toegekend
Dit onderscheid komt duidelijk tot uitdrukking in de Regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 september 2004, houdende nadere regels ter zake van enkele in de Wet kinderopvang geregelde onderwerpen (hierna: de Regeling).
Artikel 11 vanPro die Regeling geeft aan dat de toezichthouder (het college van burgemeester en wethouders) het gastouderbureau kan verzoeken afschriften te verstrekken van de verklaringen omtrent het gedrag van bij het bureau aangesloten gastouders, terwijl verweerder slechts een overzicht van alle ingeschreven kinderen kan verlangen alsmede afschriften van met de vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten.
2.10 Gezien het vorenstaande is het beroep van eiseres ook in zoverre gegrond en dient het bestreden besluit vernietigd te worden wegens strijd met de wet.
2.11 Met het oog op de finale beslechting van dit geding, ziet de rechtbank aanleiding om te bezien vanaf welke datum eiseres voor dat berekeningsjaar aanspraak zou kunnen maken op kinderopvangtoeslag.
2.12 Ter zitting is verweerders standpunt aan de orde gekomen dat, gelet op artikel 52 WkoPro, slechts recht op kinderopvangtoeslag kan bestaan vanaf de datum waarop eiseres de hiervoor genoemde schriftelijke overeenkomst heeft gesloten met het gastouderbureau.
2.13 De rechtbank kan zich met dit standpunt verenigen omdat er zonder die overeenkomst geen sprake is van kinderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau en zoals hiervoor overwogen komt verweerder de bevoegdheid toe afschriften van die schriftelijke overeenkomsten op te vragen bij het gastouderbureau. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder die gegevens in het kader van zijn uitvoerende taak mag controleren en daaraan gevolgen mag verbinden.
2.14 Die gegevens zijn nog niet in deze procedure betrokken. Verweerder zal dat bij het opnieuw voorzien op het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2009 alsnog moeten doen.
2.15 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt het bestreden besluit,
verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 mei 2009 niet- ontvankelijk,
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2009 neemt met inachtneming van deze uitspraak,
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt,
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan eiseres.
Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter en mr. L.A.C. van Nifterick en
mr. D. Haan, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Akbour, griffier.
De griffier: De voorzitter:
Uitgesproken in het openbaar op: 9 december 2010.
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.