ECLI:NL:RBROT:2010:BT1880
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst en loonvordering na ontslag en werkzaamheden voor kinderopvang
Eiseres trad op 15 juni 2009 in dienst bij gedaagden als pedagogisch medewerker. Zij zegde haar arbeidsovereenkomst op per 1 december 2009, maar verrichtte daarna werkzaamheden voor gedaagden, welke zij als arbeid in dienstbetrekking beschouwt. Gedaagden betwisten dat er vanaf die datum een arbeidsovereenkomst bestond en stellen dat de werkzaamheden als vriendendienst of als zelfstandige gastouder zijn verricht.
Eiseres vordert een verklaring voor recht dat zij vanaf 1 december 2009 in dienst was en loon voor die periode, met een voorlopige voorziening tot betaling van €5000 bruto wegens spoedeisend belang. De rechtbank stelt vast dat eiseres vanaf december 2009 werkzaamheden verrichtte, waaronder opvang van kinderen en voorbereidingen voor een nieuw kinderdagverblijf. Betalingen aan eiseres zijn gedaan zonder bewijs van lening of verrekening.
De kantonrechter oordeelt dat het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610a BW geldt en dat gedaagden dit vermoeden niet hebben weerlegd. De voorlopige voorziening wordt toegewezen en gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €5000 bruto aan eiseres. Verdere bewijslevering wordt toegestaan en de hoofdzaak wordt aangehouden.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van een voorlopige voorziening van €5000 bruto aan eiseres wegens verrichte arbeid vanaf 1 december 2009.