ECLI:NL:RBROT:2011:BP5595
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing executoriaal beslag op toekomstige woonappartementsrechten
H.M.H. vordert in kort geding de (gedeeltelijke) opheffing van het executoriaal beslag dat de gemeente Schiedam heeft gelegd op toekomstige woonappartementsrechten aan een adres te Schiedam, omdat deze rechten volgens haar niet tot het vermogen van DVRG behoren en het beslag onrechtmatig is.
De gemeente Schiedam voert verweer dat het beslag rechtmatig is gelegd op de juridische eigendom van DVRG, ongeacht de kenbare overdracht van economische eigendom aan H.M.H. De gemeente stelt dat zij een redelijk belang heeft bij handhaving van het beslag en dat tijdsverloop geen rechtsverwerking oplevert.
De voorzieningenrechter volgt de gemeente en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000, waarin is bepaald dat kenbare overdracht van economische eigendom geen wijziging brengt in juridische eigendom en dat het onroerend goed geschikt blijft als beslagobject. Ook is onvoldoende gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtsverwerking aannemelijk maken.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van de gemeente bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van H.M.H. bij opheffing, mede omdat H.M.H. zelf heeft gekozen voor de juridische constructie. De vordering wordt afgewezen en H.M.H. wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag wordt afgewezen en H.M.H. wordt veroordeeld in de proceskosten.