ECLI:NL:RBROT:2011:BP6107
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.H. Veling
- L.A.C. van Nifterick
- H. van Lokven-van der Meer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid bij Oslo-confrontatie
In deze strafzaak diende een wrakingsverzoek tegen een rechter van de rechtbank Rotterdam. Verzoeker stelde dat de rechter partijdig zou zijn vanwege haar herhaalde opmerkingen dat de Oslo-confrontatie goed was, terwijl de verdediging van mening was dat de samenstelling van de confrontatie niet voldeed aan de psychologische richtlijnen.
De verdediging voerde aan dat de kandidaten bij de confrontatie niet voldeden aan het signalement van de dader, met verschillen in huidskleur en gelaatskenmerken. Zij meenden dat de rechter daarmee een vooringenomen oordeel had gegeven, wat de schijn van partijdigheid zou wekken.
De rechter verklaarde dat haar opmerkingen slechts een eerste indruk betroffen en dat zij openstond voor verdere inhoudelijke betwisting door de verdediging. De rechtbank overwoog dat een rechter uit hoofde van haar functie onpartijdig wordt vermoed, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid.
De rechtbank concludeerde dat de enkele herhaalde opmerking over de kwaliteit van de confrontatie geen vooringenomenheid inhoudt, mede omdat de verdediging nog inhoudelijk kon reageren. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.