ECLI:NL:RBROT:2011:BP7936
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergoeding onder depositogarantiestelsel bij en/of-rekening na faillissement DSB
Eisers, een echtpaar, maakten bezwaar tegen de door De Nederlandsche Bank (DNB) toegekende vergoedingen onder het depositogarantiestelsel na het faillissement van DSB Bank. De vrouw ontving ongeveer € 53.145,- terwijl de man het maximum van € 100.000,- kreeg, omdat DNB het saldo van hun gezamenlijke en/of-rekening evenredig verdeelde.
De rechtbank stelt vast dat DNB de artikelen 19 en 26 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (Bbpm) correct heeft toegepast. De vrouw kon zich niet beroepen op onjuiste voorlichting door DSB, aangezien vorderingen uit onrechtmatige daad niet onder het vangnet vallen. De man had geen rechtstreeks belang bij het besluit aan de vrouw en zijn bezwaar werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De vrouw voerde aan dat zij de volledige vergoeding zou moeten ontvangen omdat het geld op de en/of-rekening uit haar vermogen kwam en zij mondeling overeenstemming had met haar man dat zij de enige gerechtigde was. De rechtbank oordeelde dat zonder schriftelijke vastlegging en contractuele bepalingen DNB terecht uitging van een evenredige verdeling van het saldo.
De rechtbank verwierp ook de stelling dat de toepassing van het Bbpm in strijd was met hogere regelgeving of het gelijkheidsbeginsel. De proceskosten werden aan DNB opgelegd. Het beroep van de vrouw werd ongegrond verklaard, het bezwaar van de man niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep van de vrouw werd ongegrond verklaard, het bezwaar van de man niet-ontvankelijk en DNB werd veroordeeld in de proceskosten.