ECLI:NL:RBROT:2011:BP8955
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening windturbinepark GWS Offshore NL 1 in exclusieve economische zone
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep tegen de door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat verleende Wbr-vergunning voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van het offshore windturbinepark GWS Offshore NL 1 in de exclusieve economische zone (EEZ). Eiser betoogde onder meer dat het voorzorgsbeginsel onvoldoende was toegepast, dat de milieueffectrapportage (MER) en passende beoordeling gebrekkig waren, en dat de vergunning nadelige gevolgen zou hebben voor de visserij en scheepvaartveiligheid.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de vergunning terecht had verleend, waarbij het voorzorgsbeginsel adequaat was toegepast. De MER en passende beoordeling bevatten worst case aannames en voldoende mitigatievoorschriften, zoals het beperken van heiwerkzaamheden in kwetsbare periodes en het monitoren van vispopulaties via een MEP. De effecten op vissen, vislarven en Natura 2000-gebieden werden als niet significant beoordeeld.
Ook het bezwaar dat de vergunning in strijd zou zijn met de Planologische Kernbeslissing-Plus Near Shore Windparken werd verworpen, aangezien deze niet van toepassing is op de EEZ. De rechtbank stelde vast dat het windturbinepark een zeer beperkt ruimtebeslag inneemt en geen wezenlijke inperking van de visserij veroorzaakt. De kans op aanvaringen met schepen werd door eiser niet onderbouwd en door verweerder adequaat weerlegd.
Ten slotte werd geoordeeld dat de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 een passende mogelijkheid biedt voor schadevergoeding aan visserijbedrijven, zodat geen reden bestaat om de vergunning te weigeren op grond van visserijbelangen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening voor het windturbinepark GWS Offshore NL 1 wordt ongegrond verklaard.