ECLI:NL:RBROT:2011:BP8962
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergunningverlening voor offshore windturbinepark BARD Offshore NL 1 en toepassing voorzorgsbeginsel
De rechtbank Rotterdam heeft op 24 maart 2011 uitspraak gedaan in de zaak over de vergunningverlening door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat voor het windturbinepark BARD Offshore NL 1, bestaande uit 60 turbines. Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit, stellende dat de vergunning onterecht was verleend vanwege mogelijke negatieve effecten op visserij, vislarven en scheepvaartveiligheid.
De rechtbank heeft het toetsingskader van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) en de Beleidsregels inzake toepassing van de Wbr op installaties in de exclusieve economische zone (EEZ) uitvoerig besproken. Het voorzorgsbeginsel is volgens de rechtbank door verweerder adequaat toegepast, onder meer door het hanteren van een worst case scenario in de milieueffectrapportage (MER) en passende beoordeling, en door het opleggen van beperkingen zoals het verbod op heiwerkzaamheden in de periode 1 januari tot 1 juli.
De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, vislarven of visbestanden. Ook is vastgesteld dat het windturbinepark geen significant effect heeft op de visserij, mede gezien het beperkte ruimtebeslag van 0,1057% van het Nederlands Continentaal Plat. De door eiser aangevoerde berekeningen over verhoogde kans op aanvaringen zijn niet onderbouwd en worden door de rechtbank verworpen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening voor BARD Offshore NL 1 wordt ongegrond verklaard.