ECLI:NL:RBROT:2011:BP8972
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunning voor windturbinepark Den Helder I vanwege visserij- en milieubezwaren
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van het Productschap Vis tegen de vergunningverlening door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat voor het windturbinepark Den Helder I, bestaande uit maximaal 78 turbines. De vergunning was verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Het beroep richtte zich voornamelijk op bezwaren omtrent de effecten van het windpark op visserij, vissen en vislarven, en de toepassing van het voorzorgsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het voorzorgsbeginsel voldoende heeft toegepast, onder meer door het hanteren van worst case scenario's in de milieueffectrapportage (MER) en passende beoordeling, en door het opleggen van mitigerende voorschriften zoals het beperken van heiwerkzaamheden in gevoelige periodes en het monitoren van vispopulaties. De MER en passende beoordeling sloten significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uit.
Verder concludeerde de rechtbank dat het windpark geen significant effect heeft op de visserij, omdat het ruimtebeslag beperkt is tot 0,11% van het Nederlands Continentaal Plat en visserij zich slechts zal verplaatsen. De rechtbank verwierp de stelling van eiser dat de kans op aanvaringen met turbines onrealistisch hoog is, omdat de door verweerder berekende kans van circa 0,6 aanvaringen per jaar niet is weerlegd.
Ten slotte wees de rechtbank het beroep af en bevestigde de vergunningverlening, waarbij verweerder terecht heeft geoordeeld dat het behoud van een doelmatig en veilig gebruik van de Noordzee door de visserij voldoende verzekerd is en dat geen aanleiding bestaat voor weigering van de vergunning.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor het windturbinepark Den Helder I wordt ongegrond verklaard en de vergunning wordt bevestigd.