ECLI:NL:RBROT:2011:BQ9081
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling retentierecht vervoerder op containers onder cognossement bij vervoer naar Zuid-Korea
Gondrand Traffic B.V. vordert een verklaring voor recht dat zij een retentierecht (lien) heeft op twee containers met scheepsonderdelen vervoerd naar Busan, Zuid-Korea, ter verhaal van een vordering van circa €50.000,- op Scot Marine, de opdrachtgever die failliet is verklaard.
De containers werden vervoerd onder een negotiable FIATA multimodal transport Bill of Lading met een clausule 'freight prepaid'. Gondrand weigerde de containers af te geven aan de derde-cognossementhouder [gedaagde] in Busan totdat zekerheid werd gesteld. [gedaagde] betwist de rechtmatigheid van dit retentierecht jegens hem en voert aan dat Zuid-Koreaans recht van toepassing is en dat Gondrand onvoldoende heeft gesteld over dat recht.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 6 Wet Pro IPR het recht van de loshaven, Zuid-Korea, van toepassing is op de vraag of Gondrand een retentierecht jegens [gedaagde] kan uitoefenen. Omdat partijen geen nadere informatie over Zuid-Koreaans recht hebben verstrekt, draagt de rechtbank de griffier op om advies in te winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut over de inhoud van het retentierecht onder Zuid-Koreaans recht. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van dit advies.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en vraagt advies aan het Internationaal Juridisch Instituut over het Zuid-Koreaanse recht betreffende het retentierecht.