ECLI:NL:RBROT:2011:BR3564

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
381561 / HA RK 11-142
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning rechter wegens belangenverstrengeling

In deze civiele procedure tussen een vennootschap onder firma en een besloten vennootschap heeft de rechter een verzoek tot verschoning ingediend nadat zij bekend werd dat haar echtgenoot was aangenomen bij een organisatie waar de gedaagde deel van uitmaakt.

De rechter had na het laatste sollicitatiegesprek haar teamleider geïnformeerd over haar voornemen zich terug te trekken uit de zaak. De rechtbank heeft onderzocht of deze omstandigheden aanleiding geven tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Hoewel er geen aanwijzingen waren dat de rechter subjectief niet onpartijdig was, oordeelde de rechtbank dat het verzoek tot verschoning gegrond is vanwege de objectieve vrees voor schending van onpartijdigheid.

Daarom werd het verzoek toegewezen en de rechter ontheven van verdere behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt toegewezen wegens objectief gerechtvaardigde vrees voor schending van onpartijdigheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Meervoudige kamer voor verschoningszaken
Uitspraak: 29 juli 2011
Zaaknummer: 381561
Rekestnummer: HA RK 11-142
Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:
[naam rechter],
rechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: de rechter),
ertoe strekkende zich te mogen verschonen in de zaak van:
[naam] V.O.F.,
gevestigd te [plaats],
eiseres,
advocaat mr. R. van Veen
tegen
[naam] B.V.,
gevestigd te [plaats],
gedaagde,
advocaat mr. H.G.D. Hoek.
1. Het procesverloop en de processtukken
Bij tussenvonnis van 5 januari 2011 is door de rechter in de zaak tussen eiseres en gedaagde, beide voornoemd, met kenmerk 365403/HA ZA 10-3174 een verschijning van de partijen bevolen voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op een nadere terechtzitting van de rechter. Op 13 april 2011 heeft ingevolge voornoemd vonnis een comparitie van partijen plaatsgevonden.
Op 22 juni 2011 heeft de rechter een schriftelijk verzoek tot verschoning gedaan.
De verschoningskamer heeft kennis genomen van:
* de dagvaarding d.d. 15 oktober 2010 van [naam] v.o.f. als eiseres tegen [naam] B.V. als gedaagde (zonder de bijbehorende producties);
* de conclusie van antwoord d.d. 15 december 2010 (zonder de bijbehorende producties);
* het (tussen-)vonnis d.d. 5 januari 2011;
* het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 13 april 2011 ten overstaan van [naam rechter];
* het verzoek tot verschoning van [naam rechter];
* de oproeping van [naam rechter] voor de zitting van de verschoningskamer;
* de kennisgeving aan [naam] v.o.f. (mr. R. van Veen) m.b.t. de indiening van het verschoningsverzoek en de zitting van de verschoningskamer;
* de kennisgeving aan [naam] B.V. (mr. H.G.D. Hoek) m.b.t. de indiening van het verschoningsverzoek en de zitting van de verschoningskamer.
Ter zitting van 18 juli 2011, alwaar het verzoek om verschoning is behandeld, is namens de gedaagde partij [naam] B.V. verschenen mr. W.E. Boonk.
2. Het verzoek en het verweer daartegen
2.1
De rechter heeft aan het verzoek tot verschoning ten grondslag gelegd dat haar na de behandeling van de zaak ter zitting is bekend geworden dat haar echtgenoot had gesolliciteerd bij het Scheepvaart en Transport College (STC).
Inmiddels is op 16 juni 2011 duidelijk geworden dat haar echtgenoot daadwerkelijk is aangenomen voor de betreffende functie. Op 28 april, 17 mei en 14 juni 2011 hebben daartoe sollicitatiegesprekken plaatsgevonden. Tijdens het laatste gesprek in die sollicitatieprocedure was de heer [naam], voorzitter van het college van bestuur van STC aanwezig, wiens naam ook ter sprake is gekomen tijdens de comparitie van partijen. Hierin heeft de rechter aanleiding gezien op 6 juni 2011 haar teamleider in te lichten en haar voornemen kenbaar te maken zich terug te trekken uit de zaak als behandelend rechter. Het STC maakt deel uit van de STC Group waar ook [naam] B.V. gedaagde in bovengenoemde procedure, deel van uitmaakt. Gezien het voorgaande is de rechter van mening dat zij niet langer bij de behandeling van bovengenoemde zaak betrokken zou moeten zijn.
3. De beoordeling
3.1
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2
Aan de door de rechter aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.
3.3
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden - objectief - gerechtvaardigd is.
3.4
De door de rechter aangevoerde omstandigheid, in samenhang met het gegeven dat de rechter daarin aanleiding heeft gevonden zelf een verzoek in te dienen zich te mogen verschonen van de verdere behandeling van de zaak, levert naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor onder 3.3 bedoeld op.
3.5
Het verzoek wordt om deze reden toegewezen.
4. De beslissing
wijst toe het verzoek van [naam rechter] zich in de zaak van [naam] v.o.f. tegen [naam] B.V. te mogen verschonen.
Deze beslissing is gegeven op 29 juli 2011 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. L.A.C. van Nifterick en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.
Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de jongste rechter en de griffier ondertekend.