ECLI:NL:RBROT:2011:BT2217
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling provisie en goodwillvergoeding bij beëindiging agentuurovereenkomst binnen proefperiode
Tussen partijen is een agentuurovereenkomst gesloten voor de periode van 1 november 2007 tot 1 november 2008 met een proefperiode van zes maanden. De agent vordert betaling van niet-verrekenbare provisies, vergoeding voor gemiste provisie over geannuleerde orders, een vergoeding op grond van artikel 7:441 BW Pro en een goodwillvergoeding.
De kantonrechter stelt vast dat de proefperiode inhoudt dat de overeenkomst binnen zes maanden rechtsgeldig kan worden beëindigd. De principaal heeft de overeenkomst binnen deze periode opgezegd met gegronde redenen. De agent heeft recht op provisie over de feitelijke duur van de overeenkomst, maar niet over de volledige zes maanden. De vordering voor gemiste provisie over een geannuleerde order van een derde partij wordt toegewezen, omdat de principaal deze annulering aan zichzelf toerekenbaar is.
De vordering tot vergoeding ex artikel 7:441 BW Pro wordt afgewezen omdat de overeenkomst rechtsgeldig binnen de proefperiode is beëindigd. De goodwillvergoeding wordt eveneens afgewezen omdat de agent geen nieuwe klanten heeft aangebracht die substantieel voordeel opleveren voor de principaal. De principaal mag zich beroepen op een opschortingsrecht wegens openstaande vorderingen. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering over de vraag of een order daadwerkelijk is geplaatst.
Uitkomst: De agent krijgt provisie over de duur van de overeenkomst en gemiste provisie over een geannuleerde order, maar geen vergoeding ex artikel 7:441 BW of goodwillvergoeding.