ECLI:NL:RBROT:2011:BW2560
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Procedure over indexering en nominale pensioenrechten ex-echtgenote bestuurder
De zaak betreft een procedure tussen een ex-echtgenote en meerdere gedaagden over de hoogte van haar nominale pensioenrechten en de vraag of deze rechten geïndexeerd moeten worden. De ex-echtgenote stelt dat de pensioenbedragen onjuist zijn vastgesteld en dat zij recht heeft op indexering vanaf 1 januari 1997. De gedaagden betwisten dit en voeren aan dat de berekeningen van Watson Wyatt als uitgangspunt dienen en dat geen recht op indexering bestaat.
De rechtbank onderzoekt de bewijsstukken, waaronder pensioenberekeningen, correspondentie en interne documenten van het pensioenfonds. De rechtbank oordeelt dat de ex-echtgenote onvoldoende heeft onderbouwd dat de toegewezen pensioenrechten onjuist zijn en dat het bewijs voor het recht op indexering niet afdoende is geleverd. De ex-echtgenote wordt echter toegelaten tot bewijslevering om haar stellingen nader te onderbouwen.
De rechtbank wijst erop dat de pensioenrechten van de ex-echtgenote zijn afgeleid van die van haar ex-echtgenoot en dat geen zelfstandige aanspraak bestaat. Verder wordt vastgesteld dat er geen sprake is van strijd met wettelijke bepalingen inzake pensioenbeleid en dat het onderscheid tussen gepensioneerden en actieven gerechtvaardigd is. De beslissing over de overige geschilpunten wordt aangehouden voor een later stadium.
Uitkomst: Ex-echtgenote wordt toegelaten tot bewijslevering over indexering pensioenrechten; verdere beslissing wordt aangehouden.