ECLI:NL:RBROT:2012:BV2185
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontbinding huurovereenkomst wegens vermeende overlast door inwonende kinderen
De huurder verhuurt sinds 1989 een woning aan de gedaagde, die daar samen met haar twee meerderjarige zonen woont. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst wegens overlast veroorzaakt door de zonen, die zich schuldig zouden maken aan diverse strafbare feiten in de woonomgeving. De verhuurder stelt dat de huurder zich onvoldoende heeft ingespannen om deze overlast te voorkomen, wat een tekortkoming vormt die ontbinding rechtvaardigt.
De huurder betwist de vordering en voert aan dat zij geen zeggenschap heeft over het gedrag van haar meerderjarige zonen buiten het gehuurde en dat er recent verbetering is in hun situatie. Ook betwist zij de toepasselijkheid van het huurreglement waarop de verhuurder zich beroept.
De rechtbank oordeelt dat, hoewel de zonen jarenlang betrokken zijn geweest bij ernstige overlast, de huurder zich niet als een slecht huurder heeft gedragen. Er is onvoldoende concreet gesteld welke maatregelen van de huurder verwacht mochten worden en het verband tussen het gebruik van het gehuurde en de overlast is te ver verwijderd. De vordering tot ontbinding wordt daarom afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen omdat de huurder zich als goed huurder heeft gedragen.