ECLI:NL:RBROT:2012:BV9334

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
373740 / HA ZA 11-585
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 BeslagverdragArt. 8 BeslagverdragArt. 2 BeslagverdragArt. 71 EEX-VoArt. 5 lid 3 EEX-Vo
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident bij beslag op Maltees zeeschip na aanvaring op volle zee

In deze zaak staat de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam ter discussie in verband met conservatoir beslag op het Maltees vlaggende zeeschip Kaliakra na een aanvaring op de Noordzee met een Nederlands geregistreerde viskotter. Kaliakra Ltd., gevestigd in Malta, betwistte de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid omdat Malta geen partij is bij het Beslagverdrag van 1952.

De rechtbank onderzocht of artikel 7 van Pro het Beslagverdrag, dat bevoegdheid toekent aan de rechter van de staat waar het beslag is gelegd, ook van toepassing is op niet-verdragsschepen zoals de Kaliakra. De rechtbank concludeerde dat deze bevoegdheidsregel ook geldt voor niet-verdragsschepen, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is.

Voorts werd de verhouding met de EEX-Verordening (EG 44/2001) en het arrest van het Hof van Justitie van de EU inzake TNT/AXA besproken. De rechtbank stelde vast dat toepassing van het Beslagverdrag in deze zaak verenigbaar is met de beginselen van rechtszekerheid en goede rechtsbedeling binnen de EU.

De vordering van Kaliakra Ltd. tot onbevoegdverklaring werd afgewezen en Kaliakra Ltd. werd veroordeeld in de proceskosten. De zaak werd verwezen voor verdere behandeling van de hoofdzaak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het verzoek tot onbevoegdverklaring van Kaliakra Ltd. af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 373740 / HA ZA 11-585
VONNIS van 14 maart 2012
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
gevestigd te Urk,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr E.C. Saman-Kole,
- tegen -
de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging
KALIAKRA LIMITED,
gevestigd te Valletta, Malta,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr R.C.A. van 't Zelfde.
Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "Kaliakra Ltd".
1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- dagvaarding d.d. 26 januari 2011 en de door [eiser] overgelegde producties;
- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van Kaliakra Ltd., met
producties;
- conclusie van antwoord in het incident, met productie.
1.2 Tenslotte is vonnis gevraagd.
2. De feitelijke uitgangspunten
In dit stadium van de procedure neemt de rechtbank de volgende feiten tot uitgangspunt:
(1) Op 29 april 2010 heeft op de Noordzee, in volle zee, in internationale wateren, een aanvaring plaatsgevonden tussen de onder Maltese vlag varende bulkcarrier Kaliakra, eigendom van Kaliakra Ltd., en de in Nederland geregistreerde motorviskotter UK 143 - [X], eigendom van [eiser] Door de aanvaring is de UK 143 beschadigd.
(2) Op 13 januari 2011 heeft [eiser] met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam aldaar conservatoir beslag doen leggen op de Kaliakra. Dit beslag is opgeheven nadat een garantie was gesteld.
3. De vordering in de hoofdzaak
3.1 De vordering van [eiser] luidt, verkort weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Kaliakra Ltd. te veroordelen om aan [eiser] te betalen
€ 235.112,73, met rente en kosten.
3.2 [eiser] heeft aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
(a) de aanvaring is volledig te wijten aan de schuld van de Kaliakra, zodat Kaliakra Ltd. aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden;
(b) de herstelkosten van de UK 143 bedragen € 164.695,73 en het visverlet € 70.417,--; wettelijke rente is verschuldigd vanaf 29 april 2010.
4. De vordering in het incident
4.1 Kaliakra Ltd. vordert, voor alle weren, dat de rechtbank bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen van
[eiser] kennis te nemen en om [eiser] te veroordelen in de kosten.
4.2 Kaliakra Ltd. legt daaraan - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag:
(a) de rechtbank is in dezen onbevoegd;
(b) bevoegdheid kan niet worden gestoeld op art. 767 Rv Pro; beide partijen zijn gevestigd in een EU-land; wanneer Kaliakra Ltd. onder de hoofdregel van art. 2 EEX Pro-Vo (Verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000) wordt gedagvaard in haar land van vestiging, Malta, kan [eiser] een in Malta verkregen vonnis makkelijk in Nederland tenuitvoerleggen; daardoor is sprake van een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen als bedoeld in art. 767 Rv Pro;
(c) bevoegdheid kan evenmin worden gebaseerd op het Beslagverdrag (Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen, Brussel, 10 mei 1952, Trb. 1981, 165), omdat Malta geen partij is bij dat verdrag, zodat de (bevoegdheids)bepalingen daarvan in dezen toepassing missen.
5. Het verweer in het incident
5.1 Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering en tot bevoegdverklaring, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Kaliakra Ltd. in de kosten.
5.2 [eiser] heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd:
(a) het Beslagverdrag moet aldus worden uitgelegd dat alle bepalingen daarvan ook van toepassing zijn op schepen die niet de vlag voeren van een verdragsluitende staat;
(b) voor de rechtsmacht van de rechtbank Rotterdam kan [eiser] daarom een beroep doen op art. 7 lid 1 aanhef Pro en onder d van het Beslagverdrag, waarin terzake van een vordering uit aanvaring bevoegdheid wordt toegekend aan het forum arresti en nu in Rotterdam beslag is gelegd op de Kaliakra;
(c) rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan voorts worden gebaseerd op art. 5 lid 3 EEX Pro-Vo, nu schade is veroorzaakt en is ingetreden aan boord van de onder Nederlandse vlag varende UK143, zodat de schade geacht moet worden in Nederland te zijn ingetreden.
6. De beoordeling
in het incident
6.1 Kaliakra Ltd. beroept zich - in haar eerste processtuk, dus tijdig - op de onbevoegdheid van deze rechtbank wegens gebrek aan rechtsmacht. De rechtbank dient dus te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtmacht heeft en of de rechtbank bevoegd is.
6.2 [eiser] beroept zich voor de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam op art. 7 aanhef Pro en onder d van het Beslagverdrag. Daarin is bepaald dat de gerechten van de staat waar het beslag is gelegd rechtsmacht hebben een uitspraak te doen in het bodemgeschil indien de vordering voortvloeit uit een aanvaring.
6.3 Tussen partijen is niet omstreden dat art. 7 Beslagverdrag Pro ter zake van een vordering uit aanvaring - zijnde een zeerechtelijke vordering als bedoeld in art. 1 lid 1 Beslagverdrag Pro - voor het bodemgeschil rechtsmacht toekent aan de Nederlandse rechter indien op het schip beslag is gelegd in Rotterdam en dat dan de rechtbank Rotterdam bevoegd is. Partijen zijn het er wel over oneens of art. 7 kan Pro worden toegepast en rechtsmacht toekent in een geval waarin dit beslag is gelegd op een schip dat niet de vlag voert van een verdragsluitende staat (hierna: niet-verdragsschip), zoals de Kaliakra die de Maltese vlag voerde.
6.4 Voor een oordeel hierover dient het Beslagverdrag te worden uitgelegd. Daarbij komt het in de eerste plaats aan op de tekst van het verdrag, de context en het doel van het verdrag. Tevens zijn van belang de opvattingen over de uitleg in de verdragsstaten. Aanvullend kan worden gekeken naar de "travaux préparatoires" van het verdrag
(vgl. artt. 31 en 32 Verdragenverdrag van Wenen, 23 mei 1969, Trb. 1985, 89).
6.5 In art. 8 lid 1 Beslagverdrag Pro is bepaald dat de bepalingen van dit verdrag in iedere verdragsluitende staat van toepassing zijn op elk schip dat de vlag van een verdragsluitende staat voert. Art. 8 lid 2 luidt Pro in de Nederlandse vertaling: Op een schip dat de vlag voert van een staat die niet is een verdragsluitende staat kan in een verdragsluitende staat beslag worden gelegd terzake van één van de in art. 1 genoemde Pro vorderingen of terzake van iedere andere vordering, waarvoor de wet van die verdragsluitende staat beslag toestaat. In art. 2 staat Pro onder meer dat op een schip dat de vlag voert van een verdragsluitende staat binnen het rechtsgebied van een verdragsluitende staat slechts beslag kan worden gelegd terzake van een zeerechtelijke vordering.
6.6 Uit de tekst van deze bepalingen - in onderling verband bezien - blijkt dat ingevolge het Beslagverdrag in een verdragsstaat op een verdragsschip alleen beslag kan worden gelegd voor een zeerechtelijke vordering en dat op een niet-verdragsschip behalve voor een zeerechtelijke vordering ook beslag kan worden gelegd voor een andere vordering waarvoor in die verdragsstaat volgens zijn interne regels beslag kan worden gelegd.
Daaruit volgt dat het Beslagverdrag niet alleen een regeling geeft voor het beslag op verdragsschepen maar tevens voor het beslag op niet-verdragsschepen.
6.7 Deze uitleg is in overeenstemming met de uitleg die in veel andere verdragsstaten aan het Beslagverdrag wordt gegeven (vgl. F. Berlingieri, Arrest of Ships, 4th edition [2006], § 52.849, Appendix II, p. 388-390).
Deze uitleg vindt bovendien duidelijk bevestiging in de beschrijving van de totstandkoming van art. 8, waaruit blijkt dat het de bedoeling was om het Beslagverdrag ook toe te passen op niet-verdragsschepen, met dien verstande dat daarvoor de beperking tot zeerechtelijke vorderingen niet zou gelden (vgl. Berlingieri, §§ 52.840-52.848).
6.8 De rechtbank concludeert dat de bevoegdheidsregel van art. 7 aanhef Pro en onder d van het Beslagverdrag ook geldt indien het beslag is gelegd op een niet-verdragsschip, zodat de schuldeiser/beslaglegger terzake van een vordering uit aanvaring het bodemgeschil over die vordering aanhangig kan maken bij het gerecht van de verdragsstaat waar het beslag is gelegd.
6.9 Daar Kaliakra Ltd. is gevestigd in Malta, is de EEX-Vo formeel toepasselijk. De vordering van [eiser] valt binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Vo.
6.10 Art. 71 lid 1 EEX Pro-Vo bepaalt dat deze verordening onverlet laat (Engelse tekst: shall not affect) de verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die voor bijzondere onderwerpen de rechterlijke bevoegdheid regelen. Deze uitzondering heeft tot doel de in bijzondere verdragen neergelegde bevoegdheidsregels in acht te doen nemen, omdat bij de vaststelling van deze regels rekening is gehouden met de bijzondere kenmerken van de onderwerpen waarop zij betrekking hebben (HvJ EG 6.12.1994, NJ 1995, 659; Tatry;
ro. 24). Het Beslagverdrag geeft in art. 7 een Pro regel voor de rechterlijke bevoegdheid ingeval in een verdragsstaat een conservatoir beslag is gelegd op een zeeschip, onder meer terzake van vorderingen uit aanvaring, waarbij rechtsmacht wordt toegekend aan het forum arresti.
Het Beslagverdrag is derhalve een bijzonder verdrag als bedoeld in art. 71 lid 1 EEX Pro-Vo.
6.11 Het feit dat Kaliakra Ltd. is gevestigd in Malta en Malta geen partij is bij het Beslagverdrag belet niet dat de rechtbank Rotterdam kennisneemt van deze zaak overeenkomstig art. 7 van Pro het Beslagverdrag waarbij Nederland wel partij is (art. 71 lid 2 aanhef Pro en onder a EEX-Vo).
6.12 Het Hof van Justitie van de EU heeft in zijn uitspraak van 4 mei 2010 (C-533/08; NJ 2010, 482 inzake TNT/AXA) geoordeeld dat toepassing van een bijzonder verdrag geen afbreuk mag doen aan de beginselen die aan de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Unie ten grondslag liggen, zoals de beginselen van voorzienbaarheid van de bevoegde rechterlijke instanties en van rechtszekerheid voor de justitiabelen en van een goede rechtsbedeling. De regels inzake rechterlijke bevoegdheid die in bijzondere verdragen in de zin van art. 71 zijn Pro neergelegd mogen binnen de Unie slechts worden toegepast voor zover zij in hoge mate voorspelbaar zijn, een goede rechtsbedeling vergemakkelijken en het risico van parallel lopende processen zo veel mogelijk kunnen beperken (ro. 49, 53 en 56).
6.13 De rechtbank is van oordeel dat toepassing in deze zaak van de bevoegdheidsbepaling van art. 7 aanhef Pro en onder d Beslagverdrag hieraan voldoet. Deze geeft voor een geval als het onderhavige een duidelijke regel door het toekennen van bevoegdheid tot berechting van het bodemgeschil over de vordering waarvoor het scheepsbeslag is gelegd aan het forum arresti. Ook overigens past de bevoegdheidsbepaling binnen de in het TNT/AXA-arrest gegeven kaders.
6.14 De slotsom moet zijn dat de rechtbank ingevolge deze bepaling rechtsmacht toekomt om over de onderhavige zaak te oordelen.
De vordering van Kaliakra Ltd. dient te worden afgewezen, met veroordeling van
Kaliakra Ltd. in de proceskosten.
in de hoofdzaak
6.15 De zaak zal worden verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door Kaliakra Ltd.
7. De beslissing
De rechtbank,
in het incident
7.1 wijst de vordering af;
7.2 veroordeelt Kaliakra Ltd. in de kosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van
[eiser] begroot op nihil aan verschotten en op € 2.000,- aan salaris van de advocaat.
in de hoofdzaak
7.3 verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 april 2012 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Kaliakra Ltd.
Dit vonnis is gewezen door mr A.N. van Zelm van Eldik, mr W.P. Sprenger en
mr M.V. Scheffers en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012.
10/1928/1278