ECLI:NL:RBROT:2012:BW6787

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
401958 / HA RK 12-342
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Wet op de LijkbezorgingArt. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzonder curator voor belangen minderjarige kinderen in geschil over asbestemming na moord op moeder

De zaak betreft een geschil tussen een man, veroordeeld voor de moord op zijn echtgenote, en de moeder van de echtgenote over de bestemming van de as van de gecremeerde vrouw. De as bevindt zich bij het crematorium, en de man heeft beroep aangetekend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens tegen zijn veroordeling.

De rechtbank stelt vast dat de wens van de overledene omtrent de asbestemming niet bekend is en dat de wettelijke regel dat de as aan de nabestaande wordt gegeven die de crematie opdracht gaf, in beginsel geldt. Echter, vanwege de moordzaak en het beroep bij het EHRM kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de man de overledene heeft gedood, waardoor zijn wens niet zonder meer leidend is.

De belangen van de minderjarige kinderen van het slachtoffer, die niet in het geding zijn, moeten worden meegewogen. Omdat hun belangen onvoldoende kenbaar zijn en partijen verschillende wensen hebben, benoemt de rechtbank een bijzonder curator om hen te vertegenwoordigen. De curator zal onderzoeken wat de wensen van de kinderen zijn en of deze overeenkomen met die van de grootmoeder.

De rechtbank wijst op de procedurele aspecten, waaronder het aanhouden van de comparitie en de wijze van rapportage door de curator. Tevens wordt vermeld dat de curator een toevoeging kan aanvragen op grond van de wet op de rechtsbijstand. De beschikking is uitgesproken door mr. I.W.M. Laurijssens op 30 mei 2012.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bijzonder curator om de belangen van de minderjarige kinderen te behartigen in het geschil over de asbestemming van hun moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
zaak- / rekestnummer: 401958 / HA RK 12-342
Datum: 30 mei 2012
Beschikking benoeming bijzonder curator ex artikel 1:250 BW Pro
op verzoek van
[Persoon 1],
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. W.R. Arema te Rotterdam,
en
[persoon 2],
thans gedetineerd in de [locatie],
advocaat mr. M.C. Houwing te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [Persoon 1] en [persoon 2] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak bekend onder
zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187, waaronder:
- de dagvaarding van 5 december 2011, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- het vonnis van 4 april 2012, waarbij een comparitie is gelast;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie;
- de brief van mr. Houwing van 11 mei 2012, met bijlage;
- het proces-verbaal van de op 21 mei 2012 gehouden comparitie.
1.2. Ter comparitie zijn verschenen:
- [Persoon 1], bijgestaan door mr. Arema;
- [persoon 2], bijgestaan door mr. Houwing.
2. De feiten
2.1. [persoon 2] is gehuwd geweest met de dochter van [Persoon 1], [Persoon 3] (hierna: [persoon 3]). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten, [kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] te [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen).
2.2. Op 24 augustus 2003 is [persoon 3] levenloos aangetroffen in de [locatie] te [plaats]. Zij bleek door een misdrijf om het leven te zijn gekomen.
2.3. Het stoffelijk overschot van [persoon 3] is op 1 september 2003 in opdracht van [persoon 2] gecremeerd. De urn met de as van [persoon 3] bevindt zich thans bij het crematorium, [crematorium] gevestigd aan de [adres] te [plaats] (hierna: [crematorium]).
2.4. De rechtbank Rotterdam heeft [persoon 2] bij vonnis van 8 juni 2004 voor de moord op [persoon 3] veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. [persoon 2] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.
2.5. Bij arrest van 7 december 2004 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage [persoon 2] wegens de moord op [persoon 3] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. [persoon 2] heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.
2.6. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 14 november 2006 het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam verwezen teneinde deze opnieuw af te doen.
2.7. Bij arrest van 19 januari 2010 heeft het gerechtshof Amsterdam [persoon 2] voor de moord op [persoon 3] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren en 4 maanden, met aftrek van voorarrest.
2.8. [persoon 2] heeft vervolgens beroep aangetekend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De verwachting is dat eind 2012 uitspraak zal worden gedaan.
2.9. Op verzoek van [Persoon 1] is op 21 november 2011 conservatoir beslag gelegd onder [crematorium] op de urn met de as van [persoon 3].
2.10. Bij beschikking van 21 juni 2011 van de rechtbank Rotterdam is [persoon 2] ontzet van het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft deze beslissing van de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 21 december 2011 bekrachtigd.
2.11. Sinds de detentie van [persoon 2] verblijven de minderjarigen in het kader van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij (het gezin van) de zus van [persoon 2], [persoon 4].
3. De beoordeling
3.1. In de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 is tussen partijen in geschil welke bestemming aan de as van het gecremeerde lichaam van [persoon 3] moet worden gegeven.
3.2. Artikel 59 Wet Pro op de Lijkbezorging geeft als algemene regel voor de asbestemming na crematie dat de “asbus ter beschikking wordt gesteld aan de nabestaande door of namens wie de opdracht tot de crematie is gegeven”.
Daarmee is de wens van [persoon 2] ten aanzien van de asbestemming in beginsel relevant, te meer nu gesteld noch gebleken is dat [persoon 3] haar eigen wens daarover heeft kenbaar gemaakt en evenmin is gebleken van vermoedens daaromtrent. Uit ethisch oogpunt moet van dit beginsel evenwel worden afgeweken, indien onomstotelijk vast staat dat [persoon 2] [persoon 3] om het leven zou hebben gebracht. Nu [persoon 2] beroep heeft aangetekend bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens en de rechtbank geen prognose kan geven over de uitkomst van dat beroep, staat zulks thans niet onomstotelijk vast.
3.3. Echter, los van de regel van artikel 59 Wet Pro op de Lijkbezorging heeft naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de asbestemming te gelden dat als niet vast te stellen is wat de wens van de overledene was of geweest zou zijn, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is een bestemming gekozen moet worden in overeenstemming met de wensen van de nabestaanden, rekening houdend met hun gevoelens.
3.4. De rechtbank stelt vast dat derhalve de gevoelens en belangen niet enkel van [Persoon 1] maar tevens van de niet in het geding betrokken minderjarigen in aanmerking dienen te worden genomen. Ter gelegenheid van de comparitie is gebleken dat partijen onderschrijven dat de belangen van de minderjarigen in de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 door de rechtbank moeten worden meegewogen.
Verder is op genoemde comparitie duidelijk geworden dat de belangen van de minderjarigen ondanks verzoeken om informatie daartoe aan Bureau Jeugdzorg thans niet, althans onvoldoende kenbaar zijn en dat partijen die belangen op verschillende wijze invulling wensen te geven. Mitsdien hebben partijen de rechtbank verzocht een bijzonder curator te benoemen en daarbij de voorkeur uitgesproken voor benoeming van [persoon 5] te [plaats].
3.5. De rechtbank stelt vast dat de belangen van de minderjarigen in het kader van het geschil tussen partijen omtrent de asbestemming van hun moeder, [persoon 3], zwaar wegen en dat zij daarvan kennis moet kunnen nemen alvorens zij in dat geschil een -wellicht onomkeerbare- beslissing neemt. De rechtbank acht het daarom -met partijen- in het belang van de minderjarigen noodzakelijk een bijzonder curator te benoemen om de minderjarigen ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
3.6. De rechtbank zal als bijzonder curator benoemen [persoon 5] te [plaats], die zich bereid heeft verklaard als zodanig voor de minderjarigen op te treden. De taak van de bijzondere curator is vooreerst -waar mogelijk, via gesprekken met de minderjarigen en/of overige betrokkenen- te onderzoeken of de minderjarigen de wens hebben om (mettertijd) zelf over de as van hun moeder, [persoon 3], te beschikken en/of welke bestemming er aan die as moet worden gegeven. Voorts dient de bijzonder curator te bezien of en in hoeverre de wensen van [Persoon 1] met betrekking tot de asbestemming van haar dochter, [persoon 3], parallel zouden kunnen lopen met die van de minderjarigen.
3.7. Met betrekking tot de kosten overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 1:250 BW Pro is niet in een bijzondere regeling voor de financiering van de bijzonder curator voorzien. Wel is de wet op de rechtsbijstand van toepassing. Aan de minderjarigen wordt geen eigen bijdrage opgelegd. Om in aanmerking te komen voor toevoeging dient de bijzondere curator ingeschreven te zijn in het register van de Raad voor rechtsbijstand en dient hij vervolgens zelf een toevoeging aan te vragen.
3.8. In de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 is de comparitie aangehouden tot 1 september 2012 pro forma. Op die pro forma zittingsdatum kan mr. Van der Pols schriftelijk verslag uitbrengen. Hij dient aan de rechtbank en (de respectieve advocaten van) [Persoon 1] en [persoon 2] uiterlijk twee weken voor die datum de rapportage te verstrekken, zodat partijen zo nodig op dezelfde pro forma datum tevens schriftelijk hun reactie aan de rechtbank kenbaar kunnen maken.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1. benoemt [persoon 5] te [plaats] tot bijzonder curator over:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] te [geboorteplaats];
- [kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] te [geboorteplaats].
4.2. draagt de griffier op het procesdossier in de zaak bekend onder zaak- / rolnummer 392422 / HA ZA 11-2187 in afschrift aan de deskundige te doen toekomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2012.?