ECLI:NL:RBROT:2012:BW7675
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige hypothecaire inschrijving wegens financiering met drugsgeld
De zaak betreft een vordering van de Ontvanger van de Belastingdienst en de Staat tot ongedaanmaking van een hypothecaire inschrijving op een woonhuis dat formeel gefinancierd zou zijn door een lening van de broer van de veroordeelde drugshandelaar. De rechtbank beoordeelt of sprake is van een echte lening of een schijnconstructie om de herkomst van het geld te verhullen.
De feiten tonen aan dat de veroordeelde drugshandelaar aanzienlijke inkomsten uit criminele activiteiten heeft gegenereerd en dat het woonhuis in kwestie vermoedelijk met deze gelden is betaald. De leningsovereenkomst en hypotheek zijn vermoedelijk niet reëel, maar bedoeld om een legale financiering voor te spiegelen. De broer van de veroordeelde, die formeel geldschieter is, heeft onvoldoende geloofwaardige verklaring gegeven voor de herkomst van het geld.
De rechtbank weegt verklaringen van de echtgenote van de veroordeelde, het strafvonnis, en onderzoek van de Ontvanger mee en concludeert dat de hypothecaire inschrijving niet op een echte lening berust. De constructie wordt als strijdig met de goede zeden beoordeeld en de hypotheek als nietig of ten minste niet afdwingbaar. De broer moet meewerken aan doorhaling van de inschrijving en aan het uitwinnen van het pand door de Staat en Ontvanger.
Tegenbewijs is nog mogelijk, maar tot die tijd worden de vorderingen toegewezen en verdere beslissingen aangehouden. De rechtbank wijst op de procedurele voorwaarden voor het leveren van tegenbewijs, waaronder het horen van getuigen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen toe en stelt dat de hypothecaire inschrijving vermoedelijk een schijnconstructie is gefinancierd met drugsgeld.