ECLI:NL:RBROT:2012:BX6621
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering asbestschade werknemer wegens verjaring en geringe verwijtbaarheid werkgever
De werknemer werkte in 1962-1963 als bediende aan boord van schepen van de werkgever, waar asbesthoudende materialen aanwezig waren. Hij stelde dat hij door werkzaamheden en hulp bij onderhoud aan asbesthoudende leidingen aan asbestvezels was blootgesteld, wat heeft geleid tot mesothelioom. De werkgever betwistte de blootstelling en stelde dat de vordering verjaard is.
De rechtbank beoordeelde de aansprakelijkheid op basis van artikel 6:162 BW Pro, aangezien artikel 7:658 BW Pro niet van toepassing is op schepelingen. De verjaringstermijn van 30 jaar, ingaande na de laatste blootstelling in 1963, was in 1993 verstreken. De rechtbank paste de gezichtspunten van de Hoge Raad toe om te beoordelen of verjaring buiten toepassing kon blijven.
Hoewel de werknemer binnen redelijke termijn na diagnose aansprakelijkheid stelde en de schade aan hem toekomt, oordeelde de rechtbank dat de werkgever destijds niet bekend was met het risico van korte blootstelling en dat de werkgever geen zorgplichtschending had. De geringe verwijtbaarheid en het tijdsverloop maakten dat de vordering verjaard was. De vordering en nevenvorderingen werden afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de werknemer wegens asbestschade wordt afgewezen wegens verjaring en geringe verwijtbaarheid van de werkgever.