ECLI:NL:RBROT:2012:BY4977
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onttrekkingen aan vennootschap en onrechtmatig handelen jegens de Ontvanger
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van een bestuurder centraal wegens onttrekkingen van gelden van de G-rekening van een failliete vennootschap naar de G-rekening van een andere vennootschap, waarvan zij bestuurder en aandeelhouder is. De curator in het faillissement van de vennootschap vordert betaling van de onrechtmatig onttrokken bedragen.
De rechtbank stelt vast dat de curator bevoegd is om namens de Ontvanger op grond van een cessieakte de vordering in te stellen. De gewraakte betalingen zijn niet teruggestort op de G-rekening van de failliete vennootschap, zoals vereist volgens de G-rekeningovereenkomst, waardoor de Ontvanger schade heeft geleden.
De bestuurder heeft betwist dat er aanslagen openstonden en dat de curator meerdere vorderingen tegelijk kan instellen, maar de rechtbank oordeelt dat de aanslagen wel openstonden en dat de curator de vorderingen nevenschikkend heeft ingesteld. De rechtbank kwalificeert het handelen van de bestuurder als een toerekenbare tekortkoming en veroordeelt haar tot betaling van de schadevergoeding plus wettelijke rente en proceskosten.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af omdat deze betwist zijn en niet nader zijn onderbouwd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De bestuurder wordt veroordeeld tot betaling van €71.992,50 met wettelijke rente wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de G-rekeningovereenkomst.