ECLI:NL:RBROT:2012:BZ2462
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Rotterdam verklaart verzet tegen hoge griffierechtenheffing gegrond wegens beleidswijziging zonder voldoende bekendmaking
In deze zaak betwist een advocaat namens zijn cliënte de heffing van het hoge griffierecht van €260,00 bij het indienen van een verweerschrift, terwijl een toevoeging voor gefinancierde rechtshulp was aangevraagd maar niet tijdig als afschrift was overgelegd. De griffier had het hoge griffierecht geheven omdat op het moment van indiening geen afschrift van de toevoeging was ontvangen.
De advocaat stelde dat het gebruikelijk was binnen de rechtbank Rotterdam dat een vermelding op het verweerschrift dat een toevoeging was aangevraagd, volstond om het griffierecht te verlagen, en dat de cliënte erop mocht vertrouwen dat het griffierecht zou worden aangepast zodra de toevoeging werd verstrekt. De griffier verweerde zich met verwijzing naar de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) en een circulaire van de Raad van Toezicht, waarin werd gesteld dat alleen een afschrift van de toevoeging bij indiening van het verweerschrift voldoende is.
De rechtbank oordeelde dat er onder de oude wetgeving een bestendig gevoerd beleid was waarbij enige coulance werd betracht en dat een dergelijke beleidswijziging niet zonder deugdelijk kenbaarmaking aan de balie en rechtzoekenden kon worden doorgevoerd. De griffier had onvoldoende aangetoond dat de beleidswijziging landelijk bekend was gemaakt. Daarom was de heffing van het hoge griffierecht onterecht en werd het verzet gegrond verklaard. De griffier werd opgedragen het lage griffierecht van €71,00 in rekening te brengen en €189,00 terug te storten.
Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van het hoge griffierecht is gegrond verklaard en de griffier is opgedragen het lage griffierecht in rekening te brengen en €189,00 terug te storten.