ECLI:NL:RBROT:2012:CA3846
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen spoedwaarschuwing DNB
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van A tegen een spoedwaarschuwing die De Nederlandsche Bank (DNB) wilde uitvaardigen op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft). DNB had besloten tot een spoedwaarschuwing vanwege vermoedelijke overtredingen van het bankbedrijfverbod. A maakte bezwaar en verzocht om schorsing van het besluit.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de spoedwaarschuwing onder het derde lid van artikel 1:96 Wft Pro valt, waardoor geen schorsende werking van rechtswege ontstaat en dat het verzoek niet prematuur was ondanks dat het werd ingediend vóór het definitieve besluit. De rechter stelde vast dat DNB bevoegd was het besluit te nemen en dat de spoedwaarschuwing niet zonder nader onderzoek kan worden tegengehouden.
De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de vraag of A's activiteiten als bankbedrijf kwalificeren. De voorzieningenrechter concludeerde dat A zonder bankvergunning bedrijfsmatig gelden aantrekt en uitgeeft, en dat de uitzonderingen op het bankverbod niet van toepassing zijn. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen omdat geen wettelijke of feitelijke grondslag ontbrak voor het besluit van DNB.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de spoedwaarschuwing van DNB wordt afgewezen.