Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[naam 2](verzoeker 2), te Rotterdam, tezamen verzoekers,
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening gevraagd tegen de intrekking van hun exploitatievergunningen en Drank- en Horecawet-vergunningen voor twee cafés. De burgemeester had deze vergunningen ingetrokken op basis van een negatief advies van het Bureau Bibob, dat wees op een ernstig gevaar dat de vergunningen mede zouden worden gebruikt voor strafbare feiten. Tevens was sprake van onvoldoende inzicht in de financiële situatie door het niet volledig beantwoorden van vragen en het niet overleggen van gevraagde documenten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak voor één van de cafés omdat deze al gesloten was. Voor het andere café werd vastgesteld dat de burgemeester terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van de Wet Bibob en de Drank- en Horecawet. De weigering om aanvullende gegevens te verstrekken werd als ernstig gevaar aangemerkt. Verzoekers konden niet aantonen dat er sprake was van strijd met het subsidiariteits- of proportionaliteitsbeginsel.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven en dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de intrekking van de vergunningen.