Yandex, met statutaire zetel in Nederland en aandelen genoteerd aan NASDAQ, werd door de AFM een heffing opgelegd voor doorlopend toezicht over 2012. Yandex betwistte deze heffing omdat zij meent niet te kwalificeren als effectenuitgevende instelling onder de Wet toezicht financiële verslaggeving (Wtfv), aangezien haar effecten niet zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt binnen de EU.
De rechtbank oordeelt dat op grond van de Wtfv en de Wet op het financieel toezicht (Wft) Yandex wel degelijk onder het toezicht valt, omdat zij haar statutaire zetel in Nederland heeft en NASDAQ wordt beschouwd als een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem. De rechtbank benadrukt dat de wetgever bewust een bredere reikwijdte heeft gekozen dan de Transparantierichtlijn, juist om Nederlandse vennootschappen die beursgenoteerd zijn buiten de EU te reguleren.
Yandex voerde aan dat de heffing in strijd is met algemene rechtsbeginselen en dat het toepasselijke besluit en de regeling onverbindend zijn, maar de rechtbank verwierp deze argumenten. De rechtbank stelt dat de rechter niet in de billijkheid van wetten mag treden en dat het gekozen systeem van heffingen niet onredelijk is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de heffing blijft van kracht.
De uitspraak werd gedaan door rechter D. Haan op 10 oktober 2013 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.