In deze kortgedingprocedure vordert eiser opheffing van executoriale beslagen en matiging van verbeurde dwangsommen opgelegd wegens niet-nakoming van een vonnis tot afgifte van een compressor. Het vonnis van 24 oktober 2012 veroordeelde eiser tot afgifte binnen 14 dagen, met dwangsom bij niet-nakoming.
Eiser stelt dat nakoming onmogelijk is omdat de compressor in 2010 aan zijn toenmalige werkgever is verkocht en door faillissement niet kon worden teruggekocht. H.S.U. Teq betwist dit en beroept zich op rechtmatige executie van de dwangsommen. De rechter oordeelt dat het kort geding niet geschikt is voor nader feitenonderzoek en dat onmogelijkheid in de zin van art. 611d lid 1 Rv alleen kan leiden tot weigering van dwangsommen bij welbewuste belemmering.
De rechtbank wijst het verweer van H.S.U. Teq af dat eiser zijn recht op procedure heeft verwerkt en concludeert dat de dwangsommen in beginsel terecht zijn verbeurd. De executie van de dwangsommen wordt geschorst onder de voorwaarde dat eiser binnen twee maanden een procedure ex art. 611d lid 1 Rv start. De matiging van dwangsommen wordt afgewezen. H.S.U. Teq wordt veroordeeld in de proceskosten.