Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2013 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
- de in de derde leden voorkomende term “benaderen” valt buiten het bereik van de Richtlijn OHP en is derhalve daarmee in strijd;
- de in de derde leden genoemde handelspraktijk komt niet voor op de uitputtende lijst van absolute verboden in Bijlage I bij de Richtlijn OHP;
- buiten die absolute verboden is, gelet op de Richtlijn OHP zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans van de Europese Unie) van 29 april 2009, gevoegde zaken C-261/07 en C-299/07 (VTB-VAB/Total Belgium), een categorisch verbod op een bepaalde handelwijze niet toegestaan;
- het in de derde leden neergelegde verbod is categorisch, want het is volgens de derde leden nimmer toegestaan op zodanige wijze afnemers te benaderen dat “onduidelijkheid bestaat” over het feit dat een contract is afgesloten. De individuele toets dat in concreto daadwerkelijk sprake is van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van de artikelen 5 tot en met 9 van de Richtlijn OHP ontbreekt in de derde leden en de toepassing daarvan door ACM;
- ook ter zake van de absolute verboden in Bijlage I bij de Richtlijn OHP komen vergelijkbare criteria als “onduidelijkheid bestaat” voor. In nr. 9 gaat het om “de indruk wekken”, en in nr. 13 gaat het erom dat “de verkeerde indruk wordt gewekt”. De in die nummers opgesomde gedragingen hebben dus blijkbaar ook een subjectief element, maar vallen toch onder de lijst van absolute verboden. De in de derde leden voorkomende term “onduidelijkheid bestaat” kan dus niet de vereiste concretisering bevatten;
- het uitzonderingsregime van artikel 3, vierde lid, van de Richtlijn OHP is niet van toepassing, omdat de derde leden geen implementatie vormen van de energierichtlijnen. De derde leden zijn geen communautaire uitvoeringsvoorschriften, omdat de tweede Elektriciteitsrichtlijn (Richtlijn 2003/54) en de tweede Gasrichtlijn (Richtlijn 2003/55) geen voorschriften betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken bevatten. De algemene eis die zij stellen is dat afnemers beschermd moeten worden tegen oneerlijke handelspraktijken. Dat is in die richtlijnen niet specifiek uitgewerkt, behoudens dat zij voorschriften bevatten omtrent de inhoud van de contracten. In de Richtlijn OHP zijn daarentegen wel specifieke voorschriften vervat ter zake van oneerlijke handelspraktijken en consumentenbescherming;
- het overgangsregime van artikel 3, vijfde lid, van de Richtlijn OHP is evenmin van toepassing, omdat de derde leden geen uitvoering geven aan de energierichtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten, terwijl voorts de derde leden niet onontbeerlijk zijn om een toereikende bescherming van de consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken te waarborgen. De bescherming tegen misleidende omissies is immers neergelegd in artikel 6:193d van het BW.