Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om hun bijstandsuitkering te herzien en een bedrag van € 405,81 te verrekenen vanwege hogere inkomsten uit arbeid in de periode augustus-september 2013.
Tijdens de zitting bleek dat verzoekster vanaf juli 2013 inkomsten had, maar dat de verrekening van fictieve inkomsten pas vanaf september 2013 plaatsvond. Dit leidde tot onduidelijkheid, maar het verrekende bedrag werd als correct beoordeeld. Daarnaast werd een nabetaling van € 424,92 gedaan vanwege bijstelling van de fictieve inkomsten op basis van ingeleverde loonstroken.
De voorzieningenrechter achtte het aannemelijk dat toekomstige inkomsten minder zullen leiden tot verrekeningen en dat de nabetaling de situatie voldoende corrigeert. Daarom was er geen spoedeisend belang meer om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd afgewezen, maar het griffierecht werd aan verzoekers vergoed.