Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2013 in de zaak tussen
[eiseres], te Dedemsvaart, eiseres,
de stichting Pensioenfonds Vervoer, verweerster,
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank stelt vast dat eiseres’ bezwaar door verweerster eerst als klacht is aangemerkt en vervolgens op het bezwaar is beslist zonder eiseres te horen. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom verweerster van het horen heeft afgezien. Daarmee is niet voldaan aan een van de in artikel 7:3 van Pro de Awb limitatief vermelde gevallen waarin van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien, zodat verweerster eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet heeft gehoord. De omstandigheid dat de in het bezwaarschrift aangevoerde argumenten reeds in de procedure uitvoerig zijn besproken en niet kan worden aangenomen dat het horen nieuwe gezichtspunten zou opleveren - zoals verweerster in het verweerschrift aanvoert - vormt naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijke grondslag om van het horen af te zien, zodat sprake is van schending van de hoorplicht. Gelet hierop dient het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb, te worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal hierna bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien.
Wat er voorts ook van zij dat de termijnen van artikel 1a van het VBB zijn overschreden, vaststaat dat eiseres – zoals zij ter zitting ook heeft verklaard – daarin is meegegaan en bovendien zelf ook stukken te laat heeft ingediend. Zij had de mogelijkheid beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag op grond van artikel 6:2 van Pro de Awb kunnen instellen bij de rechtbank, maar dit heeft zij om haar moverende redenen niet gedaan. De termijnoverschrijding kan dan ook nu geen grond opleveren om de beslissing tot vrijstelling per 1 juli 2012 onrechtmatig te achten.
Dat eiseres nadelige, financiële gevolgen zal ondervinden van een vrijstelling eerst per 1 juli 2012 dient voor haar risico te komen, nu het op de weg van eiseres ligt tijdig aan voorschriften te voldoen. Eiseres’ subsidiair aangevoerde grond dat de vrijstelling per 1 januari 2012 dient te worden verleend, kan gelet hierop evenmin slagen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt het bestreden besluit,
- bepaalt dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven,
- bepaalt dat verweerster aan eiseres het betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt,
- veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan eiseres.
mr. B.M. van der Kuil, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
5 december 2013.