ECLI:NL:RBROT:2013:BZ3491
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tussentijds hoger beroep tegen tussenvonnis bewijsopdracht
In deze civiele zaak heeft gedaagde verzocht om tussentijds hoger beroep toe te staan tegen een tussenvonnis van de kantonrechter van 26 november 2012, waarin een bewijsopdracht was gegeven. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek beoordeeld en vastgesteld dat de wet geen procedure voorziet voor tussentijds hoger beroep en dat de hoofdregel van artikel 337 Rv Pro terughoudendheid vereist bij het toestaan hiervan.
De rechtbank overwoog dat het verzoek als een incidentele vordering moet worden gezien en dat gedaagde ontvankelijk is in haar verzoek. Echter, uit de wetsgeschiedenis blijkt dat tussentijds hoger beroep alleen bij bijzondere omstandigheden mag worden toegestaan om vertraging van het geding te voorkomen. Gedaagde heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen.
Het feit dat gedaagde het niet eens is met de bewijsopdracht vormt geen bijzondere omstandigheid. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. Tevens wordt bepaald dat gedaagde op de rolzitting van 25 maart 2013 alsnog de in het tussenvonnis genoemde akte moet nemen, behoudens bijzondere omstandigheden. De rechtbank veroordeelt gedaagde niet in de kosten van de incidentele procedure omdat eiseres de procesvoering in eigen hand hield.
Uitkomst: Het verzoek tot tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.