ECLI:NL:RBROT:2013:BZ4095
Rechtbank Rotterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen toestemming rechter-commissaris voor onderhandse verkoop in faillissement
In deze zaak gaat het om de vraag of belanghebbenden hoger beroep kunnen instellen tegen de toestemming van de rechter-commissaris aan de curator voor de onderhandse verkoop van een geldvordering in het faillissement van Field Water B.V. en Field Stream B.V.
De rechter-commissaris had de curator toestemming gegeven om de vordering op AST en [A] te verkopen aan [Z] voor € 7.510,36, onder de voorwaarde dat [Z] haar vorderingen in de faillissementen intrekt. AST en [A] boden zelf een hoger bedrag, maar dit werd niet geaccepteerd. Namens hen werd verzocht de toestemming te heroverwegen en de verkoop aan hen toe te staan, maar dit verzoek werd afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 67 Faillissementswet Pro geen hoger beroep openstaat tegen de toestemming van de rechter-commissaris voor onderhandse verkoop, omdat deze beslissing zich uitsluitend tot de curator richt. Ook het verzoek tot heroverweging kwalificeert niet als een verzoek op grond van artikel 69 Fw Pro. Verder zijn de overige verzoeken niet behandeld door de rechter-commissaris, zodat ook daarop geen hoger beroep mogelijk is.
De rechtbank verklaart het hoger beroep van AST en [A] niet-ontvankelijk. Zij kunnen wel een nieuw verzoek op grond van artikel 69 Fw Pro indienen om een bevel van de rechter-commissaris uit te lokken, waartegen dan eventueel hoger beroep mogelijk is.
Uitkomst: Het hoger beroep van AST en [A] tegen de toestemming van de rechter-commissaris voor onderhandse verkoop wordt niet-ontvankelijk verklaard.