ECLI:NL:RBROT:2013:BZ9515
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. Janssen
- J. L.M. Boek
- M.V. van Baaren
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaarschrift tegen afwijzing onderzoekswensen rechter-commissaris na verwijzing door zittingsrechter
In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam een uitvoerige motivering gegeven over de positie en bevoegdheden van de rechter-commissaris na de inwerkingtreding van de Wet versterking positie rechter-commissaris. De rechtbank bespreekt de verschillende fasen van het strafproces: voor dagvaarding, na dagvaarding tot het onderzoek ter terechtzitting, en de fase van het onderzoek ter terechtzitting inclusief de verwijzing naar de rechter-commissaris.
De rechtbank benadrukt dat na dagvaarding het zelfstandig onderzoek van de rechter-commissaris in principe eindigt en de regiefunctie overgaat naar de zittingsrechter. De rechter-commissaris kan slechts op verwijzing van de zittingsrechter onderzoekshandelingen verrichten. In die fase is het indienen van een bezwaarschrift tegen afwijzing van onderzoekswensen bij de rechtbank niet mogelijk, omdat artikel 182 lid 6 Sv Pro niet van toepassing is na verwijzing.
In de onderhavige zaak is de verdachte preventief gedetineerd en heeft hij bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van onderzoekswensen door de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelt dat de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris op grond van artikel 316 lid 1 Sv Pro en dat de verdachte daarom niet ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift. De rechtbank wijst het bezwaar af en bevestigt de nieuwe rol en bevoegdheden van de rechter-commissaris in het strafproces na de wetswijziging.
Uitkomst: Verdachte is niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaarschrift tegen afwijzing van onderzoekswensen door de rechter-commissaris na verwijzing door de zittingsrechter.