ECLI:NL:RBROT:2013:CA3346
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor faillissementstekort
De curator in het faillissement van een detailhandelsonderneming vordert op grond van artikel 2:248 BW Pro bestuurdersaansprakelijkheid van twee bestuurders wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De kern van de vordering is dat de eerste bestuurder verplichtingen is aangegaan voor een project dat het bedrijf een nieuw pand betrof, waarbij de uitgaven het bouwdepot van € 885.000,00 met meer dan € 570.000,00 overschreden, zonder dat daarvoor dekking of reële terugverdienmogelijkheden bestonden.
De bestuurder betwist de omvang van de verplichtingen, de betrouwbaarheid van de administratie en voert diverse verweren aan, waaronder dat er sprake was van een feitelijk budget van 1,5 miljoen euro en dat de aandeelhouders akkoord waren met het project en bereid waren tot aanvullende financiering. Ook wijst hij op verslechterde marktomstandigheden en een terugval in de ICT-branche.
De rechtbank stelt vast dat de overschrijding van het budget reëel en ongedekt was en dat de bestuurder onvoldoende heeft onderbouwd dat er extra investeringen zouden komen of dat het project binnen afzienbare termijn rendabel zou zijn. Het handelen wordt gekwalificeerd als kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement vormt. De vordering tot aansprakelijkheid wordt toegewezen zonder matiging, en een voorschot van € 500.000,00 wordt vastgesteld. Daarnaast worden de proceskosten en griffierechten aan de bestuurders opgelegd.
Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en veroordeeld tot betaling van voorschot, rente en proceskosten.