Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling de dato 1 december 2014
- de pleitnota van [eiser].
Rechtbank Rotterdam
Eiser, een derde vervoerder uit Kroatië, voerde in opdracht van gedaagde uit Spanje 53 transporten uit en factureerde hiervoor €65.714,53. Na het leggen van conservatoir derdenbeslag op verzoek van eiser, vordert hij in kort geding betaling van een voorschot van €36.780 van gedaagde, die niet is verschenen.
De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve de internationale rechtsmacht en concludeert dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft voor de bodemprocedure, maar wel voorlopige maatregelen kan treffen op grond van artikel 31 van Pro de EEX-Verordening. De vordering wordt niet onrechtmatig geacht en toegewezen onder de voorwaarde dat eiser een bankgarantie stelt.
Eiser stelt dat hij slachtoffer is van fraude door gedaagde, die met de noorderzon is vertrokken. Daarom wordt bepaald dat de bankgarantie vervalt als gedaagde niet binnen een jaar een bodemprocedure start. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €36.780 en de proceskosten van €1.488,80. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €36.780,- onder de voorwaarde van een bankgarantie en tot vergoeding van proceskosten.