Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2014 in de zaken tussen
[eiser], te Spijkenisse, eiser,gemachtigde: mr. V.S. Waterval,
Procesverloop
31 januari 2013 een bedrag van € 5.113,15 bruto en een bedrag van € 320,81 netto van hem wordt teruggevorderd, ongegrond verklaard.
Overwegingen
De bevindingen van het IBF, neergelegd in een rapportage van 18 januari 2013, houden in dat eiser voor twee woningen in een appartementencomplex met de naam [A] en voor een stuk landbouwgrond van 3.560 m2 aangiftes onroerend goedbelasting heeft gedaan. Het adres van één van de appartementen komt overeen met een in het dossier van verweerder genoemd adres. Volgens de belastingaangiftes heeft eiser de appartementen op 5 oktober 1994 verworven en de landbouwgrond op 30 april 2012. De totale waarde van het onroerend goed is door een lokale makelaar getaxeerd op € 75.000,-.
Op 6 mei 2013 is de echtgenote van eiser in een gesprek met verweerder ingelicht over het onderzoek naar onroerend goed in Turkije en erop gewezen dat het bezit daarvan gemeld had moeten worden bij de aanvraag voor een Wwb-uitkering. Zij gaf hierop te kennen dat (een deel van) het onroerend goed in het verleden is verkocht, maar dat de verkoop niet (meteen) in de registers is opgenomen in verband met de daaraan verbonden kosten.
Eiser is er niet in geslaagd om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij niet (redelijkerwijs) kan of kon beschikken over de op zijn naam staande onroerende zaken. De overgelegde overeenkomst van 12 maart 2007 is ontoereikend voor de conclusie dat eiser niet kan beschikken over de twee woningen in het appartementen-complex. Niet is gebleken dat het om een officieel, ten overstaan van een notaris of advocaat opgesteld, document gaat. Het veeleer op een onderhandse akte lijkende stuk wordt verder niet gesteund met bewijzen van een (kadastrale) overdracht.
Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij onroerend goed heeft verkocht om met het ontvangen geld schulden af te lossen. De documenten waarnaar hij in dat verband heeft verwezen zijn in het Turks zijn opgesteld en daarvan heeft eiser, ook na het verzoek van de rechtbank, geen beëdigde vertaling ingebracht. Zij kunnen om die reden niet het gevolg hebben dat eiser daaraan wenst te verbinden. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij niet over de middelen beschikt om voor een beëdigde vertaling te zorgen, overweegt de rechtbank dat - nog daargelaten dat deze stelling niet met nadere gegevens is onderbouwd - deze omstandigheid voor rekening en risico van eiser komt. Overigens zouden de kosten voor een beëdigde vertaling in geval van een proceskostenveroordeling op verweerder kunnen worden verhaald. Nu eiser van de onroerende zaken geen melding heeft gemaakt aan verweerder, is hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen.
13 december 2011 tot en met 31 januari 2013 teruggevorderd.
Beslissing
mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2014.