Eiser werd na ontslag door zijn werkgever een werkloosheidsuitkering toegekend in de vorm van een voorschot. Hij was verplicht verweerder tijdig te informeren over het verloop van zijn ontslagprocedure. Nadat de kantonrechter op 28 februari 2013 een vonnis had gewezen dat de werkgever tot loonbetaling verplichtte, meldde eiser dit niet tijdig aan verweerder. Verweerder legde daarop een bestuurlijke boete van € 8.795 op wegens overtreding van de inlichtingenplicht.
Eiser stelde dat hem geen verwijt treft en dat de boete onevenredig hoog is. De rechtbank oordeelde dat eiser wel een zwaar verwijt treft omdat hij niet uit eigen beweging het vonnis meldde, ondanks de expliciete verplichting. Echter, de boete kon niet gehandhaafd worden omdat geen sprake was van benadeling: het vonnis was pas op 28 februari 2013 gewezen, terwijl de vermeende benadeling betrekking had op voorschotten over een eerdere periode. Dit leidde slechts tot een latere terugvordering, niet tot een hogere terugvordering.
De rechtbank vernietigde de besluiten tot boeteoplegging en invordering, herroept de eerdere besluiten en bepaalt dat een waarschuwing volstaat. Tevens werd eiser schadevergoeding toegekend in de vorm van wettelijke rente over betaalde boeteaflossingen en een ingehouden nabetaling. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van € 2.467,60. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.