Eiser kreeg boetes opgelegd wegens overtredingen van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet in zijn café. Hij betwistte de ontvangst van het primaire besluit en voerde aan dat zijn dochter als vrijwilliger werkte en dat het vloeroppervlak van het café kleiner was dan 70 m², waardoor het rookverbod niet van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat het vermoeden van ontvangst van het besluit niet was weerlegd en verklaarde het bezwaar tegen het eerste primaire besluit niet-ontvankelijk. De dochter van eiser werd terecht niet als werknemer aangemerkt, waardoor geen overtreding van artikel 11a, eerste lid, was vastgesteld voor haar werkzaamheden. Het vloeroppervlak bleek op basis van gemeentelijke opmetingsstaten kleiner dan 70 m², waardoor het vermoeden van een groter oppervlak werd weerlegd.
Voor de muzikanten die optraden werd aangenomen dat zij wel werknemers waren, zodat de overtreding op 6 oktober 2012 wel bestond. De boete werd echter verlaagd omdat het om een derde overtreding binnen drie jaar ging. De rechtbank stelde de boete vast op € 2.400,- en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.