Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van het proces
- het exploot van dagvaarding van 10 juli 2013, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de conclusie van repliek, met producties;
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert eiseres betaling van openstaande abonnementsgelden van gedaagde op grond van een door Vodafone aan eiseres overgedragen vordering. De cessie van deze vordering vond plaats ruim voor het aangaan van de overeenkomst tussen Vodafone en gedaagde.
Gedaagde betwist de rechtsgeldigheid van de cessie omdat de vordering op het moment van cessie nog toekomstig was en de onderliggende rechtsverhouding nog niet bestond. De kantonrechter toetst deze stelling aan de hand van de artikelen 3:94 en 3:97 BW en relevante jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 1980.
De rechter oordeelt dat cessie van toekomstige vorderingen alleen rechtsgeldig is indien de vordering ten tijde van de cessie voldoende bepaalbaar is en haar grondslag vindt in een reeds bestaande rechtsverhouding. Aangezien de cessie hier plaatsvond vóór het sluiten van de overeenkomst, ontbreekt een deugdelijke grondslag. De vordering wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens niet-rechtsgeldige cessie van toekomstige vordering.