De werkneemster, werkzaam als pedagogisch medewerker sinds 2002, weigerde om religieuze redenen de voorgeschreven werkkleding met korte mouwen te dragen, omdat dit in strijd is met haar islamitische overtuiging om onderarmen bedekt te houden. Dit leidde tot een geschil met de werkgever, een ziekenhuis, dat haar hygiëne- en infectiepreventiebeleid had aangescherpt na een uitbraak van een multiresistente bacterie.
De werkgever stelde dat de feitelijke werkzaamheden van de medewerker, waaronder onvermijdelijk patiëntencontact, het dragen van werkkleding noodzakelijk maken. De werkneemster voerde aan dat pedagogisch medewerkers volgens landelijke richtlijnen zijn uitgezonderd van deze kledingeisen en dat zij weinig patiëntencontact heeft. Diverse alternatieven en functies werden besproken, maar leidden niet tot een oplossing.
De kantonrechter oordeelde dat de feitelijke werkzaamheden, niet de functienaam, bepalend zijn voor het kledingvoorschrift. Aangenomen werd dat onvermijdelijk patiëntencontact bestaat, waardoor het infectiegevaar reëel is. De weigering van de werkneemster om aan het kledingvoorschrift te voldoen vormde een gewichtige reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2014.
Er werd een vergoeding toegekend conform de kantonrechtersformule met een c-factor van 1, ter hoogte van circa €9.500,00. De werkgever kreeg gelegenheid het verzoek in te trekken tot 31 januari 2014. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij bij intrekking de werkgever in de kosten zou worden veroordeeld.