ECLI:NL:RBROT:2014:2489

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 april 2014
Publicatiedatum
1 april 2014
Zaaknummer
AWB - 13_03146
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Besluit bezoldiging politieArt. 7 Richtlijn 2003/88/EGAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering doorbetaling onregelmatigheidstoeslag tijdens vakantie politieagent

Eiser, werkzaam als wijkagent bij de landelijke politie, maakte bezwaar tegen het niet uitbetalen van onregelmatigheidstoeslag (OT) over zijn vakantieperiode van 1 tot en met 21 augustus 2011. Verweerder, de korpschef van politie Rotterdam-Rijnmond, had het bezwaar ongegrond verklaard omdat de OT volgens hem geen onderdeel is van het loon dat tijdens vakantie doorbetaald moet worden.

De rechtbank stelde vast dat het niet uitbetalen van OT een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is en dat artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG onvoorwaardelijk recht geeft op behoud van loon tijdens vakantie. De rechtbank toetste of de toepassing van artikel 14 van Pro het Besluit bezoldiging politie (Bbp) door verweerder hiermee strookt.

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie bleek dat alleen vergoedingen die intrinsiek samenhangen met de uitvoering van taken tijdens vakantie tot het door te betalen loon behoren. De OT is een vergoeding voor het tijdstip waarop werkzaamheden worden verricht, niet voor de werkzaamheden zelf. Daarom is de weigering van doorbetaling van OT tijdens vakantie gerechtvaardigd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van de politieagent tegen het niet uitbetalen van onregelmatigheidstoeslag tijdens vakantie is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 12/3146

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.H. Welter,
en
de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, thans de korpschef van politie, verweerder,
gemachtigde: mr. M.H.E. van Veeren.

Procesverloop

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen zijn salarisspecificatie van september 2011 (het primaire besluit).
Bij besluit van 7 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door A. Nieuwpoort.
Bij beslissing van 5 december 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
De zaak is op 10 februari 2014 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door A. Nieuwpoort.

Overwegingen

1.
Eiser is werkzaam bij de landelijke politie als wijkagent bij het district De Eilanden te Rotterdam. In de periode van 1 tot en met 21 augustus 2011 heeft eiser vakantie genoten. Blijkens de salarisspecificatie van september 2011 heeft verweerder over deze periode niet de operationele toelage (OT) uitbetaald.
2.
Aan het bestreden besluit heeft verweerder - in afwijking van een advies van de Bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten - ten grondslag gelegd dat de OT geen onderdeel is van het gebruikelijke arbeidsloon dat tijdens vakantie dient te worden doorbetaald. Met de OT wordt volgens verweerder slechts beoogd ongemak te compenseren dat samenhangt met de tijdstippen waarop werkzaamheden zijn verricht.
3.
De rechtbank stelt vast dat eisers salarisspecificatie van september 2011 een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, nu het niet uitbetalen van onregelmatigheidstoeslag (OT) over een deel van de periode tot en met 21 augustus 2011 een wijziging is ten opzichte van de vorige salarisbetaling.
In geschil is de toepassing die verweerder geeft aan 14 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Daarbij is relevant dat artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (de Richtlijn) onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig is bepaald om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen. Dit betekent dat eiser toepassing van artikel 14 van Pro het Bbp kan verhinderen als die niet strookt met artikel 7, eerste lid, van de richtlijn. Volgens artikel 7, eerste lid, van de richtlijn heeft elke werknemer recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken.
4.
De beroepsgrond dat verweerder een toepassing geeft aan artikel 14 van Pro het Bbp die niet strookt met artikel 7 van Pro de Richtlijn door geen OT te betalen over de periode waarin eiser vakantie heeft, faalt.
Uit het door de rechtbank gevolgde oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn uitspraak van 15 september 2011, onder andere rechtsoverwegingen 24/26, (zaak C-155/10, ECLI:NL:XX:2011:BT6327) volgt dat tot het in een vakantie door te betalen loon enerzijds wel behoort vergoeding van elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen en anderzijds daartoe niet behoort vergoeding van occasionele of bijkomende kosten die worden gemaakt bij uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen.
Uit de omschrijving van eisers functie volgt niet dat daarmee intrinsiek samenhangt dat dit geschiedt op onregelmatige tijden. Het werk dat eiser verricht op de onregelmatige tijden verschilt inhoudelijk niet van zijn werkzaamheden tijdens de reguliere arbeidstijden. De OT is niet een vergoeding voor het verrichten van de werkzaamheden waarvoor eiser is aangesteld, maar voor het tijdstip waarop deze werkzaamheden worden verricht. Uit de grondslag van de vakantietoeslag volgt evenmin de vereiste intrinsieke samenhang tussen de OT en de uit te voeren taken. Voor zover eiser dat stelt, maakt hij niet aannemelijk dat de grondslag van de vakantietoeslag - waaronder de OT - uitsluitend is gerelateerd aan lasten die intrinsiek samenhangen met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen.
5.
Het beroep is ongegrond.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en
mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.