Uitspraak
1.De procedure
2.De vorderingen
3.De beoordeling
4.De beslissing
woensdag 11 juni 2014 om 14:00 uur.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen een Nederlandse vervoerder en Britse partijen over aansprakelijkheid voor diefstalschade aan een zending sigaretten. De vervoerder vordert niet-ontvankelijkheid van de schadevorderingen van DHL en Exel, die op hun beurt schadevergoeding eisen wegens niet-aflevering van de zending.
DHL en Exel verzoeken de Nederlandse procedure aan te houden vanwege een eerdere procedure in het Verenigd Koninkrijk over dezelfde zending, maar met andere partijen. De rechtbank onderzoekt de toepasselijkheid van de CMR en de Brussel I-Vo op de internationale rechtsstrijd.
De rechtbank oordeelt dat er geen litispendentie is omdat de partijen in Nederland en het VK verschillen. Ook is er geen samenhang in de zin van Brussel I-Vo artikel 28, omdat de rechtsverhoudingen en contractuele basis verschillen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot aanhouding af en veroordeelt DHL en Exel in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot aanhouding van de procedure wordt afgewezen en DHL en Exel worden veroordeeld in de proceskosten.