ECLI:NL:RBROT:2014:3998

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 mei 2014
Publicatiedatum
20 mei 2014
Zaaknummer
KTN-2728734
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:198 BWArt. 6:200 BWArt. 6:96 lid 6 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering kosten afvoer en opslag inboedel na ontruiming gehuurde woning

De kantonrechter behandelt een vordering van een stichting tegen een huurder betreffende kosten voor het afvoeren en opslaan van de inboedel na ontruiming van een woning. De huurder was eerder veroordeeld tot betaling van huurachterstand en ontruiming van het gehuurde.

De stichting vordert betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en verschenen rente, gebaseerd op zaakwaarneming door het afvoeren en opslaan van de inboedel. De huurder erkent de hoofdsom maar betwist de buitengerechtelijke kosten en rente, stellende geen aanmaningen te hebben ontvangen.

De kantonrechter oordeelt dat het handelen van de deurwaarder als zaakwaarneming geldt en dat de huurder op grond van artikel 6:200 BW Pro gehouden is de schade te vergoeden. De hoofdsom wordt daarom toegewezen. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ontvangst van aanmaningen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van kosten afvoer en opslag inboedel met rente en proceskosten, buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2728734 CV EXPL 14-3798
uitspraak: 16 mei 2014
vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam
in de zaak van
de stichting
[eiseres],
gevestigd te [x],
eiseres,
gemachtigde: mr. A. Lodder,
tegen
[gedaagde]
wonende te [x],
gedaagde,
in persoon procederend.
Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres] en “[gedaagde]”.

1.Het verloop van het proces

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.
  • het exploot van dagvaarding van 17 januari 2014, met producties;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord van gedaagde d.d. 30 januari 2014;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de aantekeningen van de mondelinge dupliek van gedaagde d.d. 16 april 2014.
1.2
De datum van deze uitspraak is door de kantonrechter bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.
2.1
[gedaagde] huurde van [eiseres]een woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde).
2.2
Bij vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2010 is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand met toewijzing van de door [eiseres]gevorderde ontbinding en ontruiming.
2.3
Op 13 april 2010 is het gehuurde door de deurwaarder ontruimd. De bij die ontruiming in het gehuurde aangetroffen inboedel is afgevoerd en opgeslagen en uiteindelijk vernietigd.

3.Het geschil

3.1
[eiseres]heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 548,47 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, € 99,46 aan buitengerechtelijke kosten en € 26,45 aan verschenen rente, met proceskostenveroordeling.
3.2
Aan haar vordering legt [eiseres]- zakelijk weergegeven - ten grondslag dat zij als zaakwaarnemer op grond van artikel 6:198 BW Pro de inboedel van [gedaagde] heeft laten afvoeren en opslaan. [gedaagde] is gehouden de schade te vergoeden die [eiseres]als gevolg van die zaakwaarneming heeft geleden. Ondanks herhaald verzoek is [gedaagde] tekort geschoten in de nakoming van deze betalingsverplichting. Door dit verzuim is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd geworden. Tevens is [eiseres]hierdoor genoodzaakt geweest haar vordering uit handen te geven. De daaraan verbonden buitengerechtelijke kosten komen voor rekening van [gedaagde].
3.3
[gedaagde] heeft de hoofdsom erkend, maar betwist buitengerechtelijke kosten en rente verschuldigd te zijn. Er zijn door hem geen aanmaningen ontvangen. Hij is pas bij dagvaarding bekend geworden met deze kosten.

4.De beoordeling van de vordering

4.1
Het afvoeren en opslaan van de inboedel in verband met de uitvoering van de ontruiming van het gehuurde heeft naar het oordeel van de kantonrechter plaatsgevonden op redelijke grond en in het belang van [gedaagde], zodat het handelen van de deurwaarder kan worden aangemerkt als zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 e.v. BW. [gedaagde] is op grond van artikel 6:200 BW Pro dan ook gehouden de daardoor geleden schade te vergoeden. Nu hij de verschuldigdheid en gestelde hoogte daarvan ook niet betwist, is de vordering in zoverre toewijsbaar.
4.2
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten
heeft [eiseres]aangevoerd dat zij [gedaagde] bij brieven van 13 september 2013, 14 oktober 2013 en 13 november 2013 tot betaling heeft gesommeerd. Door [gedaagde] is naar voren gebracht dat hij de brieven niet kent en dat hij in 2013 ook niet op het adres woonde als vermeld op de eerste twee brieven. In dit licht bezien, is de kantonrechter van oordeel dat niet voldoende kan worden vastgesteld dat [gedaagde] de brief van 13 september 2013 die als enige van de drie voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen heeft ontvangen. Dit betekent dat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
4.3
Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden gezegd dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. [gedaagde] moet echter vanaf de dag van het uitbrengen van de dagvaarding bekend worden geacht met de aanspraak van Woonstad. Nu betaling van de hoofdsom desondanks achterwege is gebleven, zal de gevorderde wettelijke rente vanaf dat moment worden toegewezen.
4.4
[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres]bepaald op € 94,79 aan dagvaardingskosten, € 462,00 aan vast recht en € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres]tegen kwijting te betalen € 548,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres]vastgesteld op € 556,79 aan verschotten en € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
832