ECLI:NL:RBROT:2014:4517

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 juni 2014
Publicatiedatum
4 juni 2014
Zaaknummer
ROT 14/2665
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking WWB-uitkering wegens verzwegen buitenlands vermogen

Verzoekers ontvingen een WWB-uitkering, maar maakten geen melding van hun vermogen in Turkije. Na anonieme tips en onderzoek door het Internationaal Bureau Fraude bleek dat zij onroerend goed bezaten met een waarde boven het vrij te laten vermogen. Verweerder trok de bijstand in en vorderde terugbetaling.

Verzoekers betoogden dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege het ontbreken van inkomsten. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekers een werkloosheidsuitkering van circa €600 per maand ontvangen en dat het vermogen in Turkije boven de vrijstellingsgrens ligt.

Daarom was geen spoedeisend belang aanwezig voor een voorlopige voorziening. De vraag over onrechtmatig bewijs wordt in de hoofdzaak behandeld. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de WWB-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 14/2665
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] (verzoeker) en[naam 2] (verzoekster), te Rotterdam, tezamen: verzoekers,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: M.E. Braak.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan verzoekers toegekende bijstand uit hoofde van de Wet werk en bijstand (Wwb) ingetrokken met ingang van 4 februari 2013 en besloten de verstrekte bijstand tot een bedrag van € 7.367,85 van hen terug te vorderen.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.
Verzoekers ontvingen met ingang van 4 februari 2013 bijstand van verweerder, in aanvulling op een werkloosheidsuitkering. Bij aanvang van de bijstand is het vermogen op nihil gesteld. Op 2 juli 2013 en 22 oktober 2013 heeft verweerder anonieme schriftelijke tips ontvangen, die de strekking hebben dat verzoeker zwart werkt [...] en dat hij van het geld dat hij daarmee heeft verdiend vermogen heeft opgebouwd in Turkije in de vorm van vijf appartementen en vier winkels in Nevsehir. Het Internationaal Bureau Fraude (IBF), dat onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, heeft vervolgens op verzoek van verweerder onderzoek gedaan naar bezit van verzoekers in Turkije. Het IBF heeft verweerder bij brief van 26 november 2013 onder meer bericht dat uit onderzoek is gebleken dat verzoekers beschikken over een woning, twee winkels en een depot met een huidige belastingwaarde van omgerekend bijna € 35.000,- en dat de beschikbare gegevens die afkomstig zijn van de lokale fiscale autoriteiten niet voldoende zijn om de onroerende zaken te lokaliseren en te taxeren. Verweerder heeft verzoekers vervolgens gevraagd naar stukken met betrekking tot eigendom en de waarde ervan in het buitenland. Verzoeker heeft tijdens een gesprek op 26 februari 2014, na confrontatie met de onderzoeksgegevens, verklaard dat in Turkije wel vermogen in de vorm van een woning, twee winkels en een depot op zijn naam staat, maar dat dit niet van hem is. Voorts heeft hij verklaard over twee bankrekeningen in Turkije te beschikken.
3.
Verzoekers hebben bij hun aanvraag geen melding gemaakt van het bezit in Turkije. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten gevolge van het niet nakomen van de inlichtingenplicht voorafgaand en gedurende de bijstandsverlening het vermogen is vastgesteld op nihil en bijstand is verstrekt. Verweerder heeft de aan verzoekers toegekende bijstand ingetrokken en teruggevorderd omdat uit onderzoek is gebleken dat zij ten tijde van de toekenning van bijstand beschikten over onroerend goed in Turkije met een waarde boven de grens van het vrij te laten vermogen bij aanvang van de bijstand.
4.
Verzoekers betogen onder vermelding van diverse verdragsbepalingen, het verbod van détournement de pouvoir en rechtspraak dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, omdat de pilot Procesgestuurd Onderzoek vermogen in het buitenland zich richt tot een specifieke groep personen en dat in het kader van die pilot de redenen om een onderzoek te starten naar het vermogen in het buitenland plaatsheeft zonder concrete aanwijzingen dat sprake is van dergelijke vermogen. Ter zitting hebben zij in aanvulling hierop aangevoerd dat de anonieme tip onvoldoende grondslag bood voor het verrichten van onderzoek door het IBF, zodat het IBF heeft gehandeld met het eigen beleid door niettemin onderzoek te verrichten. Verzoekers stellen voorts dat zij een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening hebben omdat zij geen bron van inkomsten hebben en zullen moeten voorzien in de kosten van levensonderhoud.
5.
Ter zitting is gebleken dat verzoekers beschikken over een werkloosheidsuitkering van ongeveer € 600,- per maand. Voorts is niet in geschil dat zij beschikken over vermogen in Turkije dat een waarde vertegenwoordigt boven het vrij te laten vermogen. Onder die omstandigheden acht de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aanwezig. Voor zover verzoekers menen dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die vraag bij gebrek aan spoedeisend belang in de hoofdzaak zal moeten worden beantwoord (vgl. de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van beroep van 9 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD3955).
6.
Het verzoek zal worden afgewezen.
7.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.