Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 14 mei 2014,
- het proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2014 met daaraan gehecht de brief van mr. Van der Werf d.d. 16 september 2013.
Rechtbank Rotterdam
Erflater en zijn partner, die nooit getrouwd zijn en geen trouwplannen hadden, maakten in 1986 testamenten waarin zij elkaar als enige erfgenamen benoemden onder de aanduiding 'aanstaande echtgenoot/echtgenote'. Na langdurige samenwoning kochten zij gezamenlijk een woning met een verblijvingsbeding. Na overlijden van erflater ontstond discussie over de werking van het testament en de vraag of de affectieve relatie op het moment van overlijden nog bestond.
De eiseres vorderde dat het testament geen werking meer zou hebben en dat de wettelijke regels van versterf van toepassing zijn, stellende dat de affectieve relatie was geëindigd. De gedaagde stelde dat de affectieve relatie voortduurde en dat het testament nog steeds geldig was. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van de term 'aanstaande echtgenote' geen zelfstandige betekenis heeft en dat het testament niet vervalt omdat het huwelijk niet heeft plaatsgevonden.
De rechtbank stelde vast dat er op het moment van overlijden sprake was van een duurzame affectieve relatie die gelijkgesteld kan worden met een huwelijk, gebaseerd op samenwoning, gemeenschappelijke huishouding, wederzijdse verzorging en gezamenlijke financiële regelingen. De vordering van eiseres werd afgewezen en de vordering van gedaagde toegewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het testament van 1986 blijft van kracht en de gedaagde is de enige erfgenaam van erflater.