Eiseres ontving bijstand en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam geconfronteerd met een herzieningsbesluit wegens verblijf buiten Nederland langer dan de toegestane vier weken in 2011. Het college legde ook een maatregel op van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende een maand wegens recidive in het niet melden van verblijf in het buitenland.
De rechtbank beoordeelde de door verweerder gehanteerde berekening van het verblijf in Kroatië en oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt tussentijds naar Nederland te zijn teruggekeerd. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder ten onrechte uitging van 30 dagen verblijf buiten Nederland, terwijl dit 28 dagen langer was dan toegestaan. Hierdoor werd het herzieningsbesluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen.
Ten aanzien van de maatregel oordeelde de rechtbank dat deze terecht was opgelegd, omdat eiseres binnen twaalf maanden opnieuw de inlichtingenplicht had geschonden en de gedragingen verwijtbaar waren. Het beroep werd gegrond verklaard voor het herzieningsbesluit, maar de maatregel werd gehandhaafd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.