Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.De vordering en het verweer
3.De beoordeling
- a) het recht van de door de partijen gekozen Staat;
- b) bij gebrek aan een rechtskeuze: het recht van de Staat waarmee de vervoerovereenkomst de nauwste banden heeft; de Staat waar de vervoerder is gevestigd wordt vermoed de nauwste banden met de vervoerovereenkomst te hebben mits daarin de laadhaven of de loshaven is gelegen.
- a) het niet behoorlijk naleven door ERL van een verplichting tot het verschaffen van inlichtingen over de dichtheid en de stuwfactor van de partij vloeispaat;
- b) het niet op gelijkmatige wijze beladen van de ‘Jonas’ door ERL of de voor haar risico optredende stuwadoor OBA;
- c) en in mindere mate: het van te grote hoogte uit de grijper in de ruimen laten vallen van de partij vloeispaat.
- a) dat ERL verantwoordelijk was voor het behoorlijk beladen en stuwen van de partij vloeispaat aan boord van de ‘Jonas’ en
- b) dat het niet nakomen van de verbintenis van ERL tot het verschaffen van informatie over de dichtheid van de lading vloeispaat oorzakelijk kan zijn geweest voor de onjuiste aanwijzingen door de schipper of de stuurman ten aanzien van de verdeling van de lading over het schip en daarmee voor het ontstaan van de schade.
- de toepassing van Duits recht;
- eventuele aanpassing van de standpunten als bedoeld in 3.4;
- de voorlopige conclusies getrokken in 3.24;
- de gestelde aansprakelijkheid van [eiser] tot vergoeding van ladingschade;
- de gestelde schadecijfers, waarbij [eiser] desgewenst zijn “pro memorie” vordering kan aanpassen.