Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[verdachte],
in deperiode van 2 juli 2012 tot en met 9 juli 2012
nzocaïn en/of fenacetine (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad en opgeslagen en
Zaak [naam bedrijf]: in de periode van 21 oktober 2012 tot en met 11
De verdachte heeft de bezigheden in de loods aan de [adres 3] verborgen voor de verhuurder. Zo vonden werkzaamheden plaats in de avonduren en liet de verdachte de loods ontruimen door diens medeverdachten, voordat de verhuurder een bezoek bracht.
De stoffen werden in zakken tuinaarde verpakt, alsof het tuinaarde betrof en de verdachten spraken telefonisch in versluierd taalgebruik over bestellingen en leveringen van stoffen.
De in de woning aan de [adres 2] aangetroffen stoffen, mix van stoffen en jerrycans met bruine kleurstof, alsook de in beslag genomen (mix van) stoffen in de zaaksdossiers Regensburg, Füssen en Best zijn blijkens het NFI-rapport allemaal te gebruiken als versnijdingsmiddelen voor heroïne en cocaïne.
Uit al deze omstandigheden, alsmede uit het feit dat de verdachte blijkens taps en observaties na aanhouding van zijn medeverdachten op grond van de Opiumwet, (welke op dat moment versnijdingsmiddelen transporteerden) doorgaat met zijn werkzaamheden, leidt de rechtbank af dat het hier niet gaat om reguliere en legale transporten en het niet anders kan dan dat de verdachte wetenschap had omtrent de bestemming van de door hem getransporteerde goederen.
Daarnaast heeft de [getuige 2] verklaard dat de verdachte ‘
In de mix zat en dat verkocht om narcotica mee te mengen’ en heeft de getuige [getuige 1] verklaard dat de verdachte versnijdingsmiddelen voor heroïne en cocaïne produceerde.
1.
Medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden, door voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
2.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste, van de Wet wapens en munitie.
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) jaar, alsmede tot een geldboete van
€ 20.000,- (twintigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis;