ECLI:NL:RBROT:2014:8018
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom DNB wegens niet verstrekken inlichtingen
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van een besloten vennootschap tegen een last onder dwangsom opgelegd door De Nederlandsche Bank (DNB). DNB legde deze last op wegens overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de vennootschap niet voldeed aan de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen in het kader van toezicht op de Wet op het financieel toezicht (Wft).
DNB had een onderzoek ingesteld naar mogelijke overtredingen van het verbod op het zonder vergunning uitoefenen van betaaldienstverlenersactiviteiten. Verzoekster weigerde echter medewerking door zich te beroepen op het zwijgrecht, verwijzend naar artikel 6 EVRM Pro. DNB concludeerde daarop dat sprake was van overtreding en legde een last onder dwangsom op.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster op grond van de Awb en Wft verplicht is de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Het beroep op het zwijgrecht wordt niet gevolgd, mede gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad die stelt dat het verstrekken van wilsonafhankelijk materiaal geen schending van artikel 6 EVRM Pro oplevert. Ook de hoogte van de dwangsom wordt als proportioneel beoordeeld. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom van DNB wordt afgewezen.