Eiser kreeg een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) opgelegd na constatering van een ademalcoholgehalte van 455 µg/l op 9 juni 2013. Hij maakte bezwaar tegen de oplegging, onder meer vanwege vermeende overschrijding van wettelijke termijnen en onduidelijkheid over communicatie van de politie.
De rechtbank overwoog dat het CBR het besluit tot oplegging van een EMA binnen vier weken na ontvangst van een volledige mededeling moet nemen. Hoewel de mededeling van de politie incompleet was en pas op 6 november 2013 compleet werd geacht, nam het CBR het besluit binnen de wettelijke termijn na die datum. De rechtbank oordeelde dat het hier om een termijn van de orde gaat en dat overschrijding niet leidt tot onbevoegdheid van het CBR.
Verder oordeelde de rechtbank dat het niet informeren van eiser door de politie over de mededeling geen rechtsregel schendt en dat een vermoeden van ongeschiktheid voldoende is voor oplegging van een EMA. De juistheid van de ademanalyse werd bevestigd, ondanks de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Ten slotte werd geoordeeld dat de EMA geen dubbele bestraffing vormt naast een boete.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de oplegging van de EMA bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.