Eiseres trad op 1 november 2013 in dienst bij een BV als salesmanager, waarbij de directeur tevens haar echtgenoot was. Na het faillissement van de BV weigerde het UWV haar WW-uitkering toe te kennen omdat volgens verweerder geen gezagsverhouding bestond vanwege de familierelatie.
De rechtbank toetste of aan de materiële vereisten van een arbeidsovereenkomst was voldaan, met name of er een gezagsverhouding was. Hoewel de familieband een vermoeden tegen het bestaan van gezag schept, bleek uit de arbeidsovereenkomst, loonstroken, e-mails en andere stukken dat eiseres onder dezelfde voorwaarden werkte als andere werknemers en instructies van de directeur opvolgde.
De rechtbank verwierp de argumenten van verweerder over het niet-marktconforme salaris en het ontbreken van een proeftijd. Ook werd erkend dat de communicatie deels mondeling verliep, wat niet afdoet aan het bestaan van gezag. Gezien deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat er wel degelijk een gezagsverhouding bestond.
Het bestreden besluit van het UWV werd vernietigd en verweerder werd opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.