ECLI:NL:CRVB:2010:BO9725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding in arbeidsrelatie echtgenote directeur
Appellante, echtgenote van de directeur en enig aandeelhouder van een juweliersbedrijf, werkte onbetaald en later tegen een hoog salaris in de onderneming. Het UWV weigerde haar WW-uitkering omdat zij niet als werknemer kon worden aangemerkt wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad overwoog dat bij arbeidsrelaties binnen familieverbanden het vermoeden bestaat dat geen gezagsverhouding aanwezig is. Appellante slaagde er niet in dit vermoeden te weerleggen.
Belangrijke factoren waren het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, het onregelmatige loonverloop, de onduidelijkheid over haar functie en het feit dat de directeur zelf geen regulier loon meer ontving. De Raad oordeelde dat appellante niet onder omstandigheden werkte die vergelijkbaar zijn met die van een buitenstaander.
De Raad wees ook op eerdere jurisprudentie waarin de affectieve relatie en gezamenlijke huishouding materiële betekenis hebben, en concludeerde dat appellante geen werknemer was in de zin van de WW. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen werknemer is in de zin van de WW vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.